INFORMATIE OVER DEZE GENEALOGIE

(bijgewerkt op 31 juli 2026)


Verantwoording
De familie (De) Koning in hoofdlijnen
De stamvader van de familie (de) Koning
Over de voorouders van de stamvader (tevens mogelijke oorsprong van de familienaam)


Verantwoording
De basis voor deze Genealogie (De) Koning werd zo’n 40 jaar geleden gelegd met een uitgebreid onderzoek, verricht door Aart de Koning†, Ton de Koning, en door mijzelf (Marcel Koning). Aart en Ton de Koning behoren tot de 'Woerdense tak' van de familie terwijl ik zelf tot een 'Amsterdamse tak' van de familie behoor. Dit verklaart ook het verschil in de familienaam. Bij de speurtocht naar onze gemeenschappelijke stamvader -het opvoeren van de eigen stamreeks- zijn wij elkaar als het ware tegemoet gekomen.

In 1989 hebben Aart en Ton de Koning met name de indertijd bekende gegevens rond de Woerdense tak van de familie gepubliceerd middels een gedrukte uitgave met de titel 'Stamreeks (de) Koning of de afstamming in rechte mannelijke lijn van Jan de Koning (1864-1937), echtgenoot van Cornelia Breedijk'. Een exemplaar van deze uitgave is ter inzage bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag (onder nr. G/Koning, 0001 CBG /depot). Tevens is toen bij het CBG een familiewapen geregistreerd. Het gaat hier echter niet om een door een van de voorouders gebruikt familiewapen maar om een nieuw wapen. Vrijwel zeker heeft in vroeger eeuwen geen van de leden van deze familie (De) Koning een wapen gevoerd (zoals dit overigens voor de meeste families in Nederland geldt). Het nieuwe familiewapen is overigens wel van toepassing voor alle leden van deze familie (De) Koning.

Er is inmiddels al heel veel onderzoek verricht naar de verschillende vertakkingen binnen deze genealogie (De) Koning. Vanaf de stamvader, diens huwelijk in 1655, tot halverwege de 20ste eeuw is de stamboom grotendeels compleet. Maar met name over familieleden die leefden in de 20ste eeuw en tegenwoordige tijd krijg ik van bezoekers van deze site nog af en toe aanvullingen toegestuurd. En in de archieven kom ik nog vaak aanvullende gegevens op het spoor.

Verschillen in de familienaam
Zoals al uit de titel van deze genealogie blijkt is er in de loop der tijd binnen de familie een verschil in familienaam ontstaan. De familieleden van de 'Woerdense tak' heten vrijwel allemaal 'De Koning', terwijl de leden van 'Zuilense' en de 'Amsterdamse' tak vrijwel allemaal met de naam 'Koning' in het tijdperk van de Burgerlijke Stand zijn beland. Daarnaast zijn er in de 19de eeuw twee kleine takken van de familie ontstaan die onder de naam 'Kooning' in de registers van de Burgerlijke stand van Utrecht en van Rotterdam werden ingeschreven. Tevens ontstond er rond dezelfde tijd in Rotterdam een familietak die de naam 'De Kooning' draagt.
Tot slot is er een bijzondere voortzetting van de familienaam ontstaan uit het huwelijk (1796) tussen Aaltje de Koning en Aart Hendrikz Knijff: de familietak De Koning Knijff.

De familie (De) Koning in hoofdlijnen
Kort samengevat was de familie (De) Koning in de 17e en 18e eeuw een familie van steen-, tegel- en pannenbakkers, landbouwers en werklieden. Natuurlijk ligt dat in de daaropvolgende eeuwen iets meer genuanceerd en heeft de familie in de 19e en 20ste eeuw ook o.a. predikanten, apothekers, onderwijzers, en zelfs een minister voortgebracht (Jan de Koning, geb. Zwartsluis 31 aug. 1926). Misschien wel het meest bekende lid van de familie is Willem de Kooning (geb. Rotterdam 24 april 1904, in 1926 vertrokken naar de VS) die tot een van meest invloedrijke kunstschilders van de 20ste eeuw wordt gerekend. Toch is binnen enkele familietakken is het beroep van steenbakker of landbouwer nog tot in de 20ste eeuw voortgezet.
Voorzover nu bekend ligt de oorsprong van deze familie (De) Koning in het dorpje Oud-Zuilen tussen Maarssen en Utrecht. De oudste gevonden vermelding van de stamvader van de familie (de) Koning betreft een vermelding uit 1655 in trouwboek van de hervormde kerk van Oud-Zuilen dat betrekking heeft op het huwelijk tussen Cornelis Jacobz. (Coninck) en de uit Woerden afkomstige Gijsbertje Gerritsdochter. Zij zijn tevens het eerste echtpaar dat in het nu nog bestaande kerkje van Oud-Zuilen is getrouwd.

De eerste generaties van de familie (De) Koning waren werkzaam als steen-, tegel- en (dak)pannenbakkers, zowel in Oud-Zuilen als in Woerden. De hiervoor genoemde Cornelis Jacobz. Coninck had vijf zonen. De nu levende generaties van de familie (De) Koning stammen allemaal af van de drie jongste zonen van Cornelis waarvan de oudste, Jan, in 1712 naar Woerden is vertrokken. Nakomelingen van hem woonden en wonen o.a. in Woerden e.o., Bodegraven, Leiderdorp en Den Haag. Van een andere zoon van Cornelis, Dirk zijn enkele kinderen naar Amsterdam vertrokken, alwaar een Amsterdamse tak is ontstaan. De nakomelingen van de jongste zoon van Cornelis, Frans, zijn tot het eind van de 19de eeuw vrijwel allemaal in de omgeving van Oud-Zuilen en Utrecht woonachtig gebleven.
De leden van de familie die in Oud-Zuilen en Woerden woonden waren voornamelijk werkzaam in de plaatselijke steen-, tegel- en pannenbakkerijen waarvan sommige ook eigenaar waren. Enkele leden van de familie (De) Koning bleven zelfs tot het midden van de 20ste eeuw in Zuilen in de plaatselijke steen- en pannebakkersindustrie werkzaam. Een herinnering van de verbondenheid van de familie met deze industrie blijkt ook uit een dakpan uit 1875 waarop de namen staan vermeld van de knechten bij de Zuilense pannenbakkerij van de weduwe Voorsteegh.
De leden van de Amsterdamse tak waren tot het midden van de 19de eeuw vooral werkzaam in de kleinhandel. Na de tijd komt men bij velen beroepen tegen zoals koetsier, sigarenmaker en diamantslijper.
Hieronder staat per periode van 50 jaar een overzicht van de verschillende beroepen die voorkwamen binnen de familie.

Beroepen tussen 1700 en 1749:
Steen- en tegelbakker (2x), pannenbakker (3x), steenbakker (4x), steenvaarder, brugwachter, tapper (2x).

Beroepen tussen 1750 en 1799:
Pannenbakker (9x), steenbakker (2x), schipper (steenvaarder), landbouwer (2x), broodbakker (3x), tabaks(ver)koper, schoenmaker (2x), opperman, cipier, koster en schoolmeester, matroos, jongmatroos in dienst van de VOC, soldaat, winkelier (kouzenwinkel), garenverkoper, klepper (noodwaker), schoonmaakster, oppermeester in dienst van de VOC.

Beroepen tussen 1800 en 1849:
Steenbakker (2x), steen-en panfabrikant, pannenbakker (3x), arbeid(st)er op een steenoven (15x), pannenbakkersbaas, landbouwer (3x), landbouwer en veehouder (2x), veehouder (2x), sluiswachter, broodbakker (2x), sjouwerman, werkman (2x), mutsenwasster, metselaarsknecht (2x), boekdrukkersgezel, pakhuisknecht, broodbakkersknecht, winkelier, baker, ambtenaar van de burgerlijke stand, korenmolenaar, molenaar, broodbakker (2x), dienaar van politie te Amsterdam, klompenmaker, scheepstimmermansknecht, scheepstimmerman, timmerman (2x), timmermansknecht, schrijnwerker, klompenmaker, kleermaker, apotheker, klerk ter griffie, naaister, opperman, schildersknecht, naaister (3x), tuinman, wasvrouw, schippersknecht, schipper, onderwijzer, cementmolenaar, hovenier, huisschilder, werkster, schoolhouderesse.

Beroepen tussen 1850 en 1899:
Gereformeerd predikant (2x), onderwijzer, landbouwer en veehouder (3x), landbouwer en koopman, landbouwer (2x), veehouder (3x), steenfabrikant (3x), pannenbakker, arbeider op een steenoven (12x), agent van politie, touwspinner, broodbakker, naaister, bode van een begrafenissociëteit, metselaar (2x), timmerman (5x), borstelhoutmaker, meubelmaker, schoenmaker, smid, schipper, koetsier (3x), bankwerker en stoker, sigarenmaker (5x), slagersknecht en slachter, diamantslijper (2x), winkelier (3x), steendrukker, boekhandelaar, tuinknecht (2x), dienstbode (4x), schipper, poetser, koffiebrander, werkman, metselaar, hovenier, bierhandelaar.

Beroepen tussen 1900 en 1949:
Onderwijzeres (4x), onderwijzer (3x), schoolhoofd (2x), gereformeerd predikant, kruidenier, varkenshandelaar (2x), broodbakker, huishoudster, slager (2x), veehoudersknecht, veehouder (4x), landbouwer, melkrijder, boomkweker, bloembollenkweker en bloembollenexporteur, bloemist, gemeentepolitieambtenaar, herenkapper, adj.directeur levensverz.mij, burgemeester-secretaris, bewaakster bij de gemeente reiniging, typograaf, dienstbode (3x), winkelbediende, winkelier (2x), sigarenmaker (4x), werkster, schippersknecht, kantoorbediende, diamantbewerker, klerk, koster, loodgieter, marktkoopman, spoorwegambtenaar (2x), tuinarbeider, timmerman (2x), wagenmaker (2x), blokmaker en timmerman, fabrieksmeisje, pannenbakker (2x), arbeider op een steenoven (2x), metaalbewerker (8x), postbode, werkman (3x), borstelmaker, bankwerker, machinist, meubelmaker, fabrieksarbeider (2x), houtzager, los werkman, dienstbode, rangeerder, winkeljufrouw, stoffeerder, kunstschilder.

Enkele beroepen tussen 1950 en heden:
Onder-directeur van een bank, professor, computer-programmeur (2x), lerares, onderwijzer, uurwerkmaker en docent uurwerktechniek, timmerman, keurmeester van vee en vlees, kapper, beveiligingsbeambte, stuurman, monteur, magazijnbediende, chauffeur (4x), (melk-)boer, pluimveehouder, logopediste, groothandelaar in bloembollen, electrotechnicus, minister, havenarbeider.

Religie en maatschappelijk leven
Naast hun arbeid om inkomen te vergaren waren veel leden van de familie (De) Koning in Oud-Zuilen en Woerden actief als kerkmeester, diaken of ouderling bij de kerken (N.H.) van Zuilen en Woerden. Zowel binnen de Zuilense als de Woerdense tak van de familie heeft het 'kerkelijk leven' een belangrijke rol gespeeld. De drie gereformeerde predikanten binnen de familie waren allen afkomstig uit laatstgenoemde familietak. De bekendste van deze drie is mogelijk Jacobus de Koning (geb. Mijdrecht 6 mei 1896), doctor in de theologie en gereformeerd predikant te Schipluiden, die als lid van het verzet in 1944 is overleden in het concentratiekamp Neuengamme.
In Woerden waren ook enkele familieleden tevens actief lid van het plaatselijke steen- en pannenbakkersgilde, en verschillende leden van deze tak van de familie hadden in de 19de eeuw zitting in de gemeenteraden van Woerden en omliggende gemeenten of waren daar benoemd als wethouder.

Uit de archieven van Oud-Zuilen blijkt tevens dat in de 18de eeuw veel leden van de familie zitting hadden in de schepenbank, en dat enkelen aan het eind van de 18e eeuw regelmatig werden benoemd in de functie van brandspuitmeester. Functies die elk jaar opnieuw werden verdeeld in dit dorpje met indertijd niet meer dan 500 inwoners (voor meer informatie over de geschiedenis van het dorp Oud-Zuilen: klik hier.

Aan het eind van de 18de eeuw en begin 19de eeuw is sprake van een toename van het aantal buitenechtelijke kinderen. Een bijzonder geval was Cornelia Koning (ged. Zuilen 5 dec. 1779). Cornelia krijgt vier buitenechtelijke kinderen, en weigert in eerste instantie deze kinderen te laten dopen. Hierover wordt in de notulen van de kerkenraad van Zuilen uitvoerig geschreven, en ergernis uitgesproken over haar ‘onchristelijk leven’. Cornelia was dienstmaagd bij Jan Plomp, en in het dorp was men er van overtuigde dat deze Jan Plomp de vader van alle vier de kinderen was. Drie van de kinderen zijn al op jonge leeftijd overleden.

Armoede, en ander leed
Bekend is dat de kindersterfte in vroegere eeuwen erg hoog was. Dat gold, met name in de 18de eeuw, ook voor veel gezinnen binnen deze familie. Van de 13 kinderen uit het gezin van Abraham Koning (ged. Zuilen 25 sept. 1718) waren er 6 al voor de meerderjarige leeftijd overleden. Ook van de 15 kinderen van Hendrik Koning (ged. Zuilen 4 febr. 1742) overlijden 11 kinderen al op jonge leeftijd. En van de 11 kinderen van Gerrit de Koning ( geb. Oudewater 14 sept. 1822) bereikt zelfs geen enkel kind de meerderjarige leeftijd. Ook is bij enkele gezinnen de moeder 'in de kraam' overleden, zoals de echtgenote van Joannes Koning (ged. Zuilen 6 maart 1729), Annigje Peters van Wijk, die in 1757 in Nigtevegt overlijdt bij de geboorte van haar dochter (welke ter nagedachtenis aan haar moeder met de naam 'Annighen' wordt gedoopt).
Ook was binnen de Zuilense en de Amsterdamse tak bij diverse gezinnen tevens sprake van grote armoede, met name aan het einde van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw. Zo werden in Zuilen rond het begin van de 19de eeuw verschillende leden van de familie 'voor prodeo' op de 'armenplaats' begraven, ondermeer de weduwe van de hiervoor genoemde Abraham Koning. Binnen de Amsterdamse tak waren in het begin van de 19de eeuw de weduwen van Abraham Koning (ged. Amsterdam 8 juni 1757) en Louis Koning (geb. Amsterdam 29 maart 1830) voor hun levensonderhoud aangewezen op de stedelijke armenzorg.
De drie nagelaten kinderen van Willem Dirksz. Koning en Alida Veltman belanden, nadat hun beide ouders zijn overleden, in 1761 in het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam. Om de kosten van de verzorging laag te houden wordt de oudste jongen, Dirk, al op 16-jarige leeftijd ondergebracht bij de VOC. Twee dagen nadat zijn jongere broer Jacobus in het weeshuis is overleden vertrekt hij (op voorspraak van het weeshuis) als scheepsjongen in dienst van de VOC naar de rede van Texel vanwaar hij aan boord van het schip Lands Kroon naar Oostindië vertrekt. Daar is hij vier jaar later overleden. Alleen hun oudere zuster Aaltje blijft in leven en verlaat het weeshuis in 1772, met ontvangst van een uitzet.

De kinderen van Casper Hendrik Koning, geb. Amsterdam 25 mei 1830, werden als halfwezen na het overlijden van hun moeder ondergebracht in katholieke weeshuizen in Amsterdam. Hun vader werd tussen 1883 en 1890 ruim 25 keer door het kantongerecht te Amsterdam veroordeeld, steeds wegens openbare dronkenschap. Meestal betrof de veroordeling een geldboete, maar 1886 betrof het tweemaal drie dagen gevangenisstraf. Twee jaar later werd Casper Hendrik vanwege een veroordeling bij vonnis kantongerecht Amsterdam dd 19 september 1888, nr.4; gedetineerd, vanaf 17 november 1888 tot 15 februari 1889 te Hoorn (Oostereiland).

Een anderszins tragisch voorval, waarbij de precieze achtergrond helaas niet meer te achterhalen valt, betreft Cornelis de Koning (blikslager en weduwnaar, geb. Utrecht 3 mei 1826,) waarvan in diens overlijdensakte (Utrecht 11 juli 1905) wordt vermeld: 'In de nacht van 10 op 11 juli uit de Singelgracht gehaald'. Zijn enigste kind was 50 jaar daarvoor, slechts drie weken oud, overleden.

Een eveneens, vermoedelijk, tragische geschiedenis betreft Teuntje Geertruida de Koning (geb. Oudenrijn 7 juli 1874). Zij huwde tegen haar zin in 1900 met een ver familielid (Arie Koning, zn. van Jacobus Koning en Agatha Verwoerd). Kort na haar huwelijk verbleef Teuntje wegens een geestelijke ziekte in Bloemendaal en is aldaar overleden.

Justitie
Uiteraard zijn er binnen deze omvangrijke familie ook enkele personen te vinden die niet volledig 'op het rechte pad' zijn gebleven. Zo werd Hendrik de Koning (geb. Woerden 10 maart 1799) op 18 nov. 1836 samen met zijn broer Willem (geb. Woerden 8 okt. 1807) veroordeeld tot het betalen van een boete wegens het als broodbakkers overtreden van de bepalingen op het maten-en gewichtenstelsel.
Een ander opmerkelijk geval is Cornelis de Koning (ged. Utrecht 16 okt 1789) die in 1840 in het bevolkingsregister van Utrecht als zijnde voortvluchtig wordt vermeld. Waarom hij voortvluchtig was kon nog niet worden achterhaald. Wel bleek uit onderzoek dat hij naar Amsterdam is gevlucht (en daar enkele jaren later is overleden), zijn vrouw en kinderen in Utrecht achterlatend.
Aaltje Koning, een dochter van Abraham Dirkz. Koning (ged. Zuilen 25 sept. 1718), werd in 1790 opgesloten in de Boeien, het cellencomplex in de benedenverdieping van het stadhuis van Amsterdam (het huidige koninklijk paleis op de Dam). Tijdens haar verhoor bekende zij meermalen stukken katoen te hebben gestolen van een handelaar welke woonde boven de winkel waar zij als schoonmaakster werkzaam was. In januari 1791 wordt in tegenwoordigheid van de hoofdofficier (de schout) en schepenen het vonnis uitgesproken: ten toon staan op het schavot voor het stadhuis met op de borst een brief met vermelding van het delict en vervolgens geseling; vier jaar opsluiting in het Spinhuis en daarna 10 jaar verbanning.
De hiervoor genoemde Aaltje Koning is vermoedelijk ook de moeder van een kind dat op 6 oktober 1784 in Amsterdam vlakbij het aalmoezeniersweeshuis te vondeling is gelegd. In een bij het kind achtergelaten briefje werd gevraagd het kind te laten dopen met de naam 'Aderianus Koning', mogelijk een vernoeming naar Adrianus Koning, de broer van Aaltje.

Nog twee andere leden zijn in aanraking gekomen met Justitie. De eerste was Carl Gustaaf Koning (geb. Amsterdam 29 juni 1854). Hij werd in 1891 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden wegens valsemunterij. De tweede was Casper Hendrik Koning (geb. Amsterdam 25 mei 1830) die in 1888 voor zes maanden gedetineerd was is in Hoorn. Voordien was hij al ruim 20 keer veroordeeld wegens openbare dronkenschap.

Emigratie en Oost-Indiëvaarders (VOC)
Vanuit verschillende takken van de familie (De) Koning zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw individuele personen en gezinnen geëmigreerd, naar ondermeer Canada en de VS. Hun (achter/klein)kinderen zetten de familienaam daar heden voort:
- Johannus Wilhelm Hendrik Abram Koning (geb. Amsterdam 31 mei 1863) in 1912 naar Canada (Toronto) vertrokken, later wonende in Boston, Massachusetts (VS). Zijn zoon Johan Hendrik Koning overlijdt aldaar in 1962.
- Jan Willem Koning (geb. Leiderdorp 19 mei 1872): geëmigreerd naar Californië. Zijn (klein)kinderen wonen aldaar.
- Barend Koning (geb. Voorschoten 7 febr. 1901): geëmigreerd naar Californië. De meeste van zijn (klein)kinderen wonen aldaar. Zijn zoon Jacobus Arie Bos Koning tr. aldaar een kleindochter (Adriana Koning) van de hiervoor genoemde Jan Willem Koning (overigens zonder dat de verre familierelatie hen toen bekend was).
- Jan de Koning (geb. 20 sept. 1924 te Goes): geëmigreerd naar Canada. Zijn (klein)kinderen wonen aldaar.
- Geert de Koning (geb. 28 febr. 1933 te Ulrum): geëmigreerd naar de VS. Zijn (klein)kinderen wonen in de VS en in Canada.
- Het gezin van Jan Janse Bertus Koning (geb. Leiderdorp 1 sept.1880) emigreert in 1929 naar Frankrijk. Verschillende van zijn nakomelingen wonen aldaar.
Het meest bekende lid van de familie die naar het buitenland emigreerde is Willem de Kooning (geb. Rotterdam 24 april 1904) die in als verstekeling aan boord van de SS Shelley naar de Verenigde Staten is vertrokken en daar jaren later als modern kunstschilder wereldfaam heeft gemaakt. Op 14 sept. 1964 werd hij door President Lyndon B. Johnson onderscheiden met de Presidential Medal of Freedom, de hoogste Amerikaanse onderscheiding

Het eerste lid van de familie die de grens overging was overigens de 16-jarige Dirk Koning (zoon van Willem Dirksz. Koning, ged. Zuilen 21 juni 1716). Hij vertrok op 18 dec. 1764 aan boord van het VOC-schip Lands Kroon naar Oostindië. Deze bestemming heeft hij echter nooit bereikt omdat hij al tijdens de zeereis is overleden.

Negen jaar later, op 8 dec. 1773, vertrekt Cornelis Konink (ged. Amsterdam 16 maart 1755) als hooploper (hulp-matroos) in dienst van de VOC (Kamer Amsterdam) met het schip Honkoop (een spiegelretourschip) vanaf de Rede van Texel naar Batavia (het schip lag in Kaap de Goede Hoop van 25 april tot 8 juni 1774), waar hij op 6 sept. 1774 arriveert. Vijf dagen later, op 11 sept. 1774 is hij aldaar overleden.

Zo’n 12 jaar later werd dezelfde reis ondernomen door de 16-jarige Johannes Hendrik Koning (zoon van Hendrik Jacob Koning, ged. Zuilen 11 juni 1741). Hij vertrok op 16 mei 1787 als jongmatroos in dienst van de VOC (Kamer van Delft) vanuit het Goereese Gat met het schip Constantia naar Batavia. Zoals zovelen indertijd is ook hij niet meer teruggekeerd, doch twee jaar later in Azië overleden.

De vierde Oost-Indiëvaarder binnen de familie, Frans Cornelisz. Koning (ged. Zuilen 10 dec. 1747) vertrok op 29 dec. 1777 als matroos in dienst van de VOC (Kamer Amsterdam) met het schip Ceres naar Ceylon (aankomst aldaar 27 juni 1778), waarna hij in 1779 is gerepatrieerd waarna hij als binnenvaartschipper zijn kost verdiende.

Een vijfde lid van de familie, Dirk Koning (geb. Utrecht 26 maart 1769) vertrekt op 19 okt. 1786 als jongmatroos in dienst van de VOC (Kamer Amsterdam) vanaf de Rede van Texel met het schip De Eensgezindheid naar Batavia vertrok, waarna hij op 19 okt. 1786 bij de tussenstop in Kaap de Goede Hoop niet meer op het schip is teruggekeerd (uit dienst wegens: 'weggelopen').

De laatste VOC’er binnen de familie, Cornelis Koning (ged. Zuilen 23 febr. 1755), is nadat hij uit dienst van de VOC kwam in Batavia blijven wonen. Voordien heeft hij viermaal de scheepsreis naar Oostindië overleefd. Op 15 sept. 1785 vertrok hij voor de eerste keer als tweede meester in dienst van de VOC (Kamer Amsterdam) met het schip Beverwijk vanaf de Rede van Texel naar Batavia, waar hij op 26 mei 1786 aankomt. Nadien vertrekt Cornelis nog driemaal als oppermeester in dienst van de VOC naar Batavia: op 14 mei 1788 met het schip Zeepaard; op 27 okt. 1790 met het schip Sparenrijk, en op 15 jan. 1793 met het schip Draak (aankomst Batavia op 13 juli 1793), waarna Cornelis op 17 dec. 1793 in Batavia uit dienst van de VOC treedt (als 'vrijburger') waar hij waarschijnlijk tot zijn dood is blijven wonen.

In dienst van het leger
Drie leden van de familie hebben deel uitgemaakt van de Grande Armee van Napoleon voor diens veldtocht in Rusland. De eerste was Cornelis Koning (geb. Zuilen 25 dec. 1790). Hij maakte daar deel uit van de 123ste Linie-Infanterie van de Grande Armee. De tweede is Johan Hendrik Koning (geb. Utrecht 23 nov. 1774). Hij neemt in 1812 als korperaal in het 123ste regiment van de Franse infanterie van de Grande Armée deel aan de veldtocht van Napoleon in Rusland. Daar wordt hij door de Russen gevangen genomen en in 1813 gaat hij over naar het 11de regiment van Pruisen dat in Duitsland werd ingezet in de strijd tegen de Fransen. En als derde Jan (Jean) Koning (geb. 12 mei 1784) die deel uitmaakte van het Franse derde regiment gardegrenadiers te voet (3e Regiment Grenadiers te Voet van de Garde), onderdeel van de Keizerlijke Garde van Napoleon. Dit (indertijd roemrijke) garderegiment bestond voornamelijk uit Hollanders. De meeste grenadiers van dit regiment kwamen om tijdens de veldtocht in Rusland. Jean Koning werd op 2 nov. 1812 krijgsgevangen gemaakt en zal hoogstwaarschijnlijk in gevangenschap zijn overleden. Van het gehele regiment overleefden er slechts 40.

Ook andere leden van de familie waren in Franse dienst. Ondermeer Cornelis Koning, (ged. Amsterdam 10 febr. 1788) en Abraham Koning (ged. Amsterdam 17 jan. 1790) die beiden rond 1812 waren ingeschreven bij het 11e Regiment Huzaren, en Cornelis de Koning (geb./ged. Utrecht 14/16 okt 1789), die rond diezelfde tijd deel uitmaakte van de 3e Cohorte.

Abraham Koning (ged. Amsterdam 17 jan. 1790) was eerst rond 1812 in Franse dienst, ingeschreven bij het 11e Regiment Huzaren. Maar in 1815 was hij, in dienst bij het geallieerd leger onder aanvoering van de Hertog van Wellington, betrokken bij de Slag bij Waterloo, veldslagen van 15 t/m 18 juni 1815 waarbij op 18 juni 1815 Napoleon met zijn Grande Armée definitief werd verslagen.

Een zoon van de hiervoor genoemde Johan Hendrik, Dirk Jacob Koning, was 20 jaar later sergeant bij het 4e Battalon Artillerie. Hij sneuvelt in 1834 in Palembang (Ned. Indië). Ruim een halve eeuw later sneuvelt ook een ander lid van de familie in Ned. Indië: Lambertus Casper Koning (geb. Amsterdam 15 maart 1863). Hij is vanaf 1889 in dienst van het Nederlandse leger en in 1897 overleden in Soerabaja (Ned. Indië).

Een enkel familielid sloot zich aan bij een andersoortig leger: Cornelia Christina Koning (geb. Utrecht 4 april 1892). Zij was officier in het Leger des Heils, en vertrekt als zodanig in 1917 naar Batavia. Op latere leeftijd wordt zij benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau.

Overige bijzonderheden
Een van de leden van de Woerdense tak van de familie, Jan Jansse Koning
(VIIIh; geb. Leiderdorp 12 aug. 1839), verkrijgt in 1884 uit de erfenis van zijn schoonvader het oudst bewaard gebleven schilderij dat in het huidige Nederland is vervaardigd. Dit schilderij, ‘Gedachtenistafel van de Heren van Montfoort’, werd circa 1380/1400 in opdracht van een lid van de familie Van Montfoort vervaardigd voor het Maria-altaar in de Sint-Janskerk in Linschoten. Op 9 augustus 1885 schonk Jan Jansse Koning het schilderij aan het Rijksmuseum in Amsterdam.

Bij het aangaan van een huwelijk in de 18de en 19de eeuw was de bruidegom doorgaans twee tot vier jaar ouder dan bruid. Hierbij speelde de indertijd geldende opvattingen over het huwelijk en geschikte huwelijkspartners een belangrijke rol. Bij enkele leden van de familie is echter sprake van een opvallend jongere partner, waar mogelijk een (nog niet achterhaald) verhaal achter zit:

·        Annighen Koning (geb. Nigtevegt 23 sept. 1757), trouwt eerst op 20-jarige leeftijd de 33-jarige Dirk Koning de jonge. In 1794 (zij is dan 37 jaar) hertrouwt zij met de dan 24-jarige Arie Jansz. van Oostveen.

·        Aaltje Koning (ged. Zuilen 17 juni 1759) trouwt op 44-jarige leeftijd te Amsterdam de dan 26-jarige Jan Cortbeek.

·        Pieter Koning (geb. Zuilen 11 nov. 1770), tuinman en timmerman [1832], trouwt op 43-jarige leeftijd de 20 jaar jongere Maria van Bekkum.

·        Cornelis Koning (geb. Zuilen 30 sept. 1829), timmerman, trouwt op 59-jarige leeftijd de 31 jaar jongere Hendrika Janna Verboom.

·        Jan de Koning (geb. Barwoutswaarder 21 juni 1842), schipper, trouwt op 58-jarige leeftijd de 34-jarige Aaltje Postma.

De stamvader van de familie (de) Koning
Over Cornelis Jacobsz Coninck, de stamvader van de familie (de) Koning, is op basis van archiefonderzoek inmiddels redelijk wat bekend. Hij was geboren in Zuilen, of heeft daar in elk geval vanaf zijn jongste jaren gewoond. Uit de huwelijksregisters van zowel Zuilen als Woerden blijkt immers dat hij 'j(ong)m(an)’ van Zuilen' was, en uit een notariële akte uit 1695 wordt duidelijk dat hij in elk geval in 1647 op een van de Zuilense pannenbakkerij werkzaam was of in elk geval rond die tijd aldaar verbleef.
Ook op latere leeftijd was Cornelis werkzaam op een van de steen- en tichelbakkerijen bij Zuilen. Op een kaart uit 1688 van het Kapittel van St. Jan wordt Cornelis Jacobsz Coningh samen met o.a. Gijsbert Jansz van Breukelen vermeld in verband met een door het Kapittel aan hen verkochte afgrift (het mogen afgraven van de kleigrond). Zeer waarschijnlijk was Cornelis in dat jaar gebruiker/huurder van een steen- of pannebakkerij te Zuilen. Ook wordt Cornelis in 1695 vermeld m.b.t. de levering van stenen aan de kerk van Zuilen.
Dit, alsmede de diverse familiare relaties van Cornelis, laten zien dat hij meer tot het milieu behoorde waarin men eigenaar of huurder (ovenmeester) van een steen- of pannenbakkerij was, en geen deel uitmaakte van het jaarlijks in te huren werkvolk dat van oven naar oven en/of van plaats naar plaats trok. Dit wordt bevestigd door de hoogte van de aanslag voor lokale belasting waarvoor Cornelis wordt aangeslagen, zoals bij de personele omslag voor het familiegeld, kleinhoefgeld en dorpslasten, de generale heffing uit 1685, en de dorpslasten. Uit deze heffinglijsten blijkt dat Cornelis tot het meer vermogende deel van de bevolking van Zuilen behoorde.
De echtgenote van Cornelis, Gijsbertje Gerrits, was bij haar huwelijk afkomstig van Woerden. Waarschijnlijk woonde zij echter voorafgaand aan hun huwelijk al meerdere jaren in Zuilen. In het huwelijksregister van Woerden wordt namelijk aangetekend dat Gijsbertje te Zuilen woonachtig was.

Oorsprong van de familienaam (de) Koning
Waar de oorsprong is van de familienaam (de) Koning ligt valt niet met zekerheid vast te stellen. De familienaam komt bij de stamvader, Cornelis Jacobsz Coninck/Koning, voor het eerst naar voren bij de doop van diens eerste zoon in 1656. Hij wordt dan in het doopboek vermeld als 'Cornelis Jacobz., genaempt Coninck'. Daarmee lijkt het er op dat de familienaam, als een soort bijnaam, bij hem is ontstaan. Dit betekent dat Cornelis dus, ook wanneer diens (voor)ouders bekend zouden zijn, als de stamvader van de familie (De) Koning moet worden aangemerkt.

Ook is inmiddels uit onderzoek gebleken dat de vader van Cornelis hoogstwaarschijnlijk de naam Van Werckhoven droeg. En dat de nakomelingen van een van zijn andere zonen, Frans Jacobsz, de naam 'Van Zuylen' zijn gaan dragen. Alleen van Cornelis Jacobz. weten we dus met zekerheid dat hij de familienaam 'Koning' voerde.

Waarschijnlijk is de familienaam ontstaan als verwijzing naar de tegelbakkerij te Maarssen waar Cornelis in zijn jonge jaren heeft verbleven, en waar zijn (groot)vader als tegelbakker werkzaam was. Van de naastgelegen hofstede (staande op de grond die voorheen bij deze tegelbakkerij hoorde) is namelijk bekend dat deze in het midden van de 17de eeuw de naam De Koningh Davidt droeg (meer hierover is hierna op deze pagina te lezen).


 

DE VOOROUDERS VAN DE STAMVADER

 

Jacob Jansz van Werckhoven, tichelaar te Zuilen/Maarssen

Tevens oorsprong van de familienaam (de) Koning:

de tegelbakkerij Propheet/Coningh Davidt te Maarssen

 

Uit archiefonderzoek is inmiddels duidelijk geworden dat de stamvader van de familie (de) Koning, Cornelis Jacobsz (genaempt) Coninck, de zoon is van Jacob Janss van Werckhoven. Deze Jacob was indertijd als pannenbakker of tegelbakker werkzaam in Zuilen en Maarssen. Zijn vader, Jan Jacobs van Werckhoven, was in het begin van de 17de eeuw eigenaar van de enige tegelbakkerij in Maarssen.

Hoewel er in de archieven geen rechtstreeks bewijs is gevonden dat Jacob Janss van Werckhoven de vader is van Cornelis Jacobsz Koning, en er zelfs geen rechtsreeks bewijs is gevonden dat deze Jacob Jans van Werckhoven een zoon met de naam Cornelis had, is er zo’n grote hoeveelheid secundaire aanwijzingen gevonden dat deze aanwijzingen, in onderlinge samenhang, wel voldoende bewijs opleveren. Deze aanwijzingen zijn deels –vet gedrukt- opgenomen in de hiernavolgende stamreeks. Maar in de verantwoording aan het slot van deze pagina worden ze allemaal nog eens puntsgewijs beschreven.

 

STAMREEKS

Bart Jans, Meus Jansz van Goch, geb. ca. 1545, tr. Lijsbeth (?). Zijn kleinzoon (heette eveneens Meus Jansz van Goch) is de schoonvader van Frans Jacobsz (zoon van Jacob Jansz van Werckhoven). Meus Jansz van Goch wordt in 1599 meermalen vermeld in Oudsschildgeld Nederkwartier m.b.t. gebruik grond in Maarssen: 12 morgen (eigendom erven Van Oostrum; 3 morgen (eigendom jr. W. van Nieveld); 10 + 8 morgen (eigendom Henrick Botter van Snellenbergh d’heer van Suijlen, ende Pieter Adriaensz van Wijckersloot); 6 morgen  (eigendom Henrick van Snellenborg);

Hieruit (allen vermeld in een notariële akte d.d. 12 jan. 1673; U070a005):

1.    Jannichjen Barten, geb. ca. 1580, tr. Jan Jacobs van Werckhoven. Zie verder onder A.

2.    Maricghen Barten, tr. Jan Jans Ticchelmaker, geb. ca. 1570, woont te Zuilen. Zie verder onder B.

3.    Annichgen Barten, geb. ca. 1595, tr. Claes Jacobss van Meenen, tichelaar aan de Rodebrug bij Utrecht. Zie verder onder C.

4.    Eechgen Barten, tr. Cornelis (Van Maersen). Zie verder onder D.

 

A. Jan Jacobs van Werckhoven / Jan Jacob Proeyt/Preit, geb. tussen 1570-1580, tegelbakker te Maarssen, schepen te Maarssen [1636], overl. na okt. 1654 (samen met zijn echtgenote nog in leven verm. in een not.akte d.d. 11 okt. 1654), tr. ca. 1600, Janneke Bartelsdr. (haar zusters en hun kinderen worden verm. in not.acte d.d. 12 jan. 1674; U070a005), overl. voor mei 1634 (Jan Jacobs is dan wed. van Janneke Bartelsdr.), tr. 2e voor dec. 1639 Annichgen Lambertsdr van Bemmel, geb. ca. 1580, weduwe van Cornelis Franssoon.

Jan Jacobs van Werckhoven is in 1636 schepen te Maarssen, tegelijk met Stoffel Joriaens (Quant). Jan Jacobs van Werckhoven kan schrijven: hij ondertekent volgens register leenhof (1644) een not.acte in 1644 met 'Jan Jacobs van Werckhoven tichelaer tot Maerssen' en zijn vrouw tekent dan met een merk. Jan Jacobs van Werckhoven werd tevens vermeld als ‘Jan Jacobs Preit, tichelaar te Maarssen’ en ‘Jan Jacobs Proeyt’ (not.acte 1 febr. 1640): mogelijk koos hij er voor om tevens de naam van zijn vermogende zwager Cornelis Hermensz Preit (zie kader hieronder) te gebruiken, of werd hij soms door derden zo genoemd. Het lijkt er in elk geval op dat de naam ‘Van Werckhooven’ nog niet als vaste familienaam werd gebruikt, wat ook blijkt uit ondermeer de archieven van Huis Zuilen waarin hij gewoon wordt vermeld als ‘Jan Jacobs, Tichelaer tot Maerssen’.

Een zuster van Jan Jacobs van Werckhoven is Teuntgen Jacobs van Werckhoven, geb. ca. 1580, overl. ca. febr. 1635 (voor 25 febr. 1635), tr. Utrecht (gerecht) 27 okt. 1604 Cornelis Hermensz. Preit (Proeyt, Poeijt), geb. ca. 1580. Teuntgen woonde bij haar huwelijk in 1604 ‘buijten St. Catharijne’ en hij ‘buijten de Weerde’. Haar echtgenoot pacht in 1621 van de heer van Zuilen in het dorp Zuilen een stukje grond waarop hij te Zuilen een groot huis laat bouwen (archief Huis Zuilen, 76, o.a. inv.nr. 66, erfpachten 1622, 1623: Cornelis Hermens Preijt, 'den erfpacht gaande het Loothuijs'. De tweede echtgenoot van zijn schoondochter, Juriean Stoffels Quant, draagt dit huis later over aan Diderick Mulaerdt (domheer te Utrecht), als gevolg van onderpand wegens een hypotheek. Dit onderpand wordt op 27 nov. 1646 omschreven als 'seeker erff met een nieuwe huijsinge en verder getimmer soo groot en cleijn t selve gelegen is tot Suijlen eertijts gecomen van Cornelis Willems Neerdijcker daer oostwaerts den gemeene wagenwech, westwaarts het santpad, suijtwaerts Jan Claes erf en noordtwaerts sekere uiterdijck naestgelegen is'. Het huis wordt door Diderick Mulaerdt vervolgens naar zichzelf vernoemd: het nog steeds bestaande huis Diedrichsteijn aan de noordzijde van het dorp. Direct achter dit huis (oostwaarts) lag toen de tegelbakkerij van Jan Jansen Ticchelmaker (zie onder B.) en diens nakomelingen. Diezelfde tegelbakkerij werd 100 jaar later aangekocht door Dirk Koning, een zoon van Cornelis Jacobz Coninck. Meer over deze tegelbakkerij is verderop te lezen.

Cornelis en Teuntgen worden i.r.t. de hiervoor genoemde erfpacht ook na hun overlijden nog vermeld in het register erfpachten Huis Zuilen (76, 222), pag. 35: jaar 1647: 'erf gelegen Zuijlen, nae dode van Cornelis Harmsen Preijt ende van Harmen Cornelis Preijt sijne soone gedaen ten behoeve van Juriaen Stoffels Quant, wonende tot Zuijlen, als man ende voogt van Gerbrecht Lamberts, (....) daer op ick Cornelis Harmsens Preijt op 21 nov. 1621 heb verlijt (....) na dode selve cornelis Harmsen Preijt en ingevolge testament van Teuntgen Jacobs deselve Cornelis Preijts weduwe en ingerechte van Zuijlen op 25 febr. 1635 gepass. hadde behoort vercocht te worden op Harmen Cornelis Preijt sijn soon, ende dat deselve Harmen Cornelis Preijt mede overl.weduwe haer twee kinderen (....) seker erf met materialen, eertijds gecomen van Cornelis Willems Meerdijker'. Tot 1620 stond op ditzelfde erf, zo blijkt uit een manuaal van het huis Zuilen, een voordoen door een Cornelis Meerdijker bewoond huisje, toen genoemd ‘het Meerendijckershuisje’. In 1619 werd dit huisje vanuit het erfpachtrecht door de heer van Zuilen verhuurd aan een ‘Jacob Jansz Tichelaar’, misschien identiek aan Jacob Jansz van Werckhoven (zie hierna).

Cornelis Hemensz Preit was tevens eigenaar van een tegel- of pannenbakkerij aan de westzijde van de Vecht te Zuilen (transport in 1652 door de erven van ‘Cornelis Hermens Poeijt’, archief huis Zuilen, 76, inv. 302).

Een andere zuster van Jan Jacobs van Werckhoven is Jannegen Jacobsdr van Werckhoven. Zij wordt in een not.akte d.d. 12 april 1635 (not. W. van Galen) te Utrecht vermeld als tante van Hubertgen Cornelis Preijtdr. (dochter van Cornelis Hermensz Preit). die gehuwd was met Reijer Jacobsz van den Brenck, steenbakker te Zuilen. Mogeiijk is Jannegen Jacobsdr van Werckhoven gehuwd met Jan Gijsbertsz van Goch uit Maarssenbroek. Cornelis Hermansz Preit wordt namelijk op 12 aug. 1615 verm. in het register van lenen van het Huis Zuilen (inv.nr. 203) bij een overdracht door zijn zwager Jan (Gijsbertz) van Goch (grootvader van Grietje Meessen die tr. met Frans Jacobsz, de broer van Cornelis Jacobsz Coninck): deze overdracht aan Cornelis betreft 2 morgen van een viertel in Maarssenbroek. Hieruit blijkt er een rechtstreekse familierelatie te bestaan tussen Jacob Jansz van Werckhoven en de familie (de) Koning. Jacob Jansz van Werckhoven en Bartholomeus/Mees Jansz van Goch (de schoonvader van Frans Jacobz, zijn namelijk neven van elkaar.

‘Jan Jacobs, tichelaer tot Maerssen’ koopt in februari 1629 voor 4000 gulden een ‘panhuis en tichelwerck’ en twee huisjes van Cornelis en Dirck van Heemskerk (bron: protocol gerecht Maarsen). Een van de twee huisjes wordt gehuurd door Bart Janss die zo lang hij leeft recht op huur behoudt. Tevens krijgt Jan dan het recht op het bewonen van een huisje op de naastgelegen steenbakkerij dat de verkopers blijft toebehoren. Op 26 jan. 1630 wordt Jan Jacobs beleend (in opdracht van Dirk van Heemskerk) met de grond waarop de tegelbakkerij en twee huisjes staan, alsmede het huis en erf op de steenbakerij (ten zuiden van eerste kavel, mogelijk deel van de grond waarop later het huis Luxemburg is gebouwd) [bron: leenhof Stichte lenen, 191-2, pag. 530 en 533]. Op 13 maart 1652 draagt Jan Jacobs van Werckhoven de tegelbakkerij en ‘sekere huijsinge’ over aan zijn zoon Jacob Jans van Werckhoven. Er is dan ook sprake van een hypotheek van fl. 2300- op de tegelbakkerij [leenhof Stichtse lenen, 191-2, pag. 530, met verwijzing naar register].

In okt. 1629 gaat Jan Jacobs van Werckhoven tevens een hypotheek aan op zijn stuk land gelegen op Gouden Hoeff te Maarsseveen, genaempt ‘Het Oever, groot omtrent 10 hont (= ca. 1,5 hectare), strekkende van de Tientweg off tot Gijsbertgen Goijerts lant toe daer de erfgenamen van za: Jan Jacobbs Huijdecoper boven, en Jan Claess Vloiswijck naast gelant zijn, wesende vrij eigen alloidael goet’ (protocol gerecht Maarssen). Ditzelfde goed werd in 1637 door Jan Jacobs van Werckhoven aan Guiliam Mostert verkocht. Den Oever lag iets ten Noorden van Goudensteijn en Endelhoven aan de oostzijde van de Vecht, en komt op de afbeelding van de oostoever van Maarssen (ca. 1652) voor als kleine hofstede (een buitenplaats gebouwd in de stijl van de boerderijen uit de omgeving) met die naam. Volgens het jaarboekje Nifterlake was Den Oever (later Vechtoever) tot 1653 eigendom van Julielmo Mostaart, die gehuwd was met Emerentia Servaas (op de afbeelding: 'Iuffrou Mostert' (wed.)). Uit een beschrijving van Vechtoever op www.kasteleninutrecht.nl blijkt dat de namen Den Oever en Vechtoever beiden in de 17e eeuw voor dezelfde hofstede worden gebruikt, en dat de naam Vechtoever al op een kaart uit 1629 voorkomt en de naam Den Oever ook op een kaart van de Vechtstreek van 1660. De hofstede zou in het begin van de 17e eeuw gebouwd zijn door welgestelde kooplieden uit Amsterdam.

Jan Jacobs van Werckhoven gaat tevens in juni 1630 een hypotheek aan van 2000,-, waarvan de aflossing op 2 juli 1637 wordt aangepast (protocol gerecht Maarssen). Ook in 1637 neemt Jan Jacobs van Werckhoven een hypotheek van 2000,- (door Jan Gerritse Weijn) op zijn huis en tegelbakkerij en 1 1/2 morgen land te Maarssen (bron: protocol gerecht Maarssen). Tevens wordt een deel van de kavel waarop de tegelbakkerij en de twee huisjes staan wordt op 8 febr. 1637 in opdracht van Jan Jacobs van Werckhoven afgesplitst van zijn leen en beleend aan Pieter Haring, en gaat in 1645 over naar David Cardose. Op deze kavel stond toen reeds een hofstede die nadien met de naam ‘Koning David’ werd aangeduid, mogelijk tevens de naam van de tegel- of pannenbakkerij (zie hierna).

Jan Jacobs wordt als Jan Preyt ca. 1640 vermeld als eiser in een zaak tegen Juriaen Stoffels Quant [bron: Hof van Utrecht, 239-1, inv.nr. 252-9 map J28, invent. raadsheer Aernt van Hoornhoven].

In een notariële acte van 11 okt. 1654 wordt Jan Jacobs beschreven als zijnde “gewezen tichelaer” en “in hogen ouderdom”. In deze acte verklaart hun (stief)zoon Thomas Cornelisz Verwey, tezamen met Willem Cornelisz Verwey te Bunnik, de zorg voor hun moeder (Annichgen Lambertsdr van Bemmel) vanwege haar hoge ouderdom op zich te nemen en haar inwoning aan te bieden.

Jan Jacobss van Werckhoven hertr. voor dec. 1639 Annichgen Lambertsdr van Bemmel. Annichgen is dan wed. van Cornelis Franssoon (zij wordt ook als weduwe vermeld in een not.akte van 28 april 1632 en woont dan te Vechten). Cornelis Fransz wordt in 1629 vermeld in een manual van erfpachten (Archief huis Zuilen, inv.nr. 171) wegens de huur van land te Bunnik. In febr. 1631 wordt de huur betaald door zijn weduwe.

Kinderen van Annichgen en Cornelis Fransz, en daarmee tevens stiefbroers van Jacob Janss van Werckhoven, zijn:

1.     Cornelis Cornelisz Verweij, geb. ca. 1600, tr. 1e N.N., tr. 2e 19 april 1631 Fietgen (Judith) Cornelis Wantenaar (‘beide woonende tot Vechten’), dr. van Cornelis Wouters (not. acte 8 mei 1646), tr. 3e Utrecht (geref.) 21 sept. 1651 Merrichjen Ponsen. Jan Jacobs van Werckhoven betaalt in 1637 en 1638 voor Cornelis Cornelisz Verweij aan de ambachtsheer van Zuilen de huur voor een weilandje gelegen te Vechten. In 1639 neemt hij de huur van het Weilandje van Cornelis over. Cornelis wordt tevens verm. in een not. akte d.d. 28-10-1639 en 1641 wegens deze schuld aan Evert van der Poll (dan eigenaar na de heer van Nyenrode) van 500 gulden vanwege de in 1639 aangegane huur van een hofstede en landerijen tot Vechten. Hij woont in 1639 ook te Vechten ‘op ’t goet competerende den heere van Nyenrode’. Op 12 aug. 1633 gaat Cornelis een lening aan (Cornelis Wouters, de schoonvader van Cornelis is dan borg), en in 1646 (not. acte 8 mei 1646) stelt zijn stiefvader Jan Jacobs Proeyt zich samen met zijn stiefzonen Frans en Thomas Verwey, tegenover Evert van der Poll, garant voor de nog verschuldigde 200 gulden. Cornelis Corneliss Verwey woont in 1651 en 1664 buyten de Tollesteechpoort, en ook in 1675 wonende te Utrecht. Cornelis draagt op 25 jan. 1664 (not. Akte) een ‘getimmer van huysinge ende bepootinge (op grond van het Duitse huis)’ over. Kinderen van Cornelis: a) Frans Cornelis (verm. in testament van zijn tante Teuntje Wantenaar d.d. 9 mei 1682), tr. Belichjen Heijnigs; b) Weijntje Verweij (idem); c) Cornelis Verwey (idem); d) Lambert, ged. Bunnik (NH) 8 nov. 1640; e) Jannichgen Cornelis Verwey (krijgt in 1675 van haar vader toestemming tot het aangaan van een huwelijk).

2.     Frans Corneliss Verwey, geb. ca. 1618, overl. na mei 1671, tr. 1e 18 febr. 1640 te Bunnik als j.m. van Vechten met Dieuwertje Claes, j.d. van Westbroek, tr. 2e Utrecht 15 okt. 1659 Cornelia, dr. van Cornelis Aertsz. Op 1 febr. 1640 wordt bij not.acte de huwelijkse voorwaarden geregeld: zijn stiefvader ‘Jan Jacobss Proeyt’ (= Jan Jacobss van Werckhoven) treedt daarbij op als zijn assistent. Frans woont in 1646 bij Achtienhoven (not. acte 8 mei 1646), daarna tot 1653 te Vechten (vermeld in een not.akte d.d. 5 nov. 1653;) en nadien aan de Achterwetering bij Westbroek. Frans Cornelisse wordt, als zijnde 36 jaar en afkomstig van Maersen, tevens verm. op 14 april 1654 in het confessieboek van Amsterdam, en ontkent bij diens verhoor bier te hebben geleverd. In 1659 woont Frans te Utrecht aan de Tollesteeg. Uit het eerste huwelijk: a) Cornelis Franss Verwey, geb. ca. 1648, woont 1671 te Vleuten, tr. 1671 Maria Claes (woont Maersenveen), dr. van Claes Thyssen; b) Claes Franss Verwey, woont Westbroek, de Gagell, verm. 13-03-1681, koopt dan van zijn broer huysinge met 2 ½ morgen land en water te Westbroek, Binnenwegh.

3.     Thomas Corneliss Verwey, geb. ca. 1610, tr. 1e Teuntgen Cornelisdr. tr. 2e Utrecht (civ.) 1 nov. 1651 Merrichje Jans, dr. van Jan Barten. Thomas wordt samen met zijn moeder verm. op 28 april 1632 (not. Akte; hij woont dan te Vleuten op Themaat) wegens een morgen land met het huis te Vleuten op Themaat. Ook wordt hij vermeld 22 okt. 1638 (not. Akte; hij woont dan te Vechten), en op 1 febr. 1640, hij woont dan in 1646 te Utrecht aan de Nieuwe Weerd (not. acte 8 mei 1646), en later aldaar ‘aan het Lynpat’ (not. 15-12-1651; 14-01-1652 etc.), waar hij een ‘huysinge ende hofstede’ huurt, en buyten Tollesteechpoort, Op 21 april 1663 woont hij ‘buyten Sint Catharynenpoorte’’ en verleent dan toestemming tot het huwelijk van Cornelis Thomass Verwey, zijn zoon, met Deliana N.N., wonende in Diemermeer. In 1664 en 1670 woont hij weer ‘buyten Tollesteechpoort’ en hij wordt in 1665 verm. wegens huur van een ‘huysinge ende hofstede’ aan het ‘Lynpadt’. Kind: a) Cornelis Thomass Verwey, zijn zoon, met Deliana N.N., wonende in Diemermeer, b) Gerrit Thomasz Verwey, woont in 1681 te Harmelen, tr. Merrichje Cornelis Goeman.

4.     Gerrit Corneliss Verwey, tr. (civ) Utrecht 12 dec. 1635 Neeltjen Cornelisdr. Blom. Hij woont in 1635 Legeweide (bij Utrecht), en woont in 1641 by den Couwehorn, en huurt op 13-07-1641 van zijn broer Cornelis een hofstede met landerijen. De huur betreft de voortzetting van huur zoals overeengekomen met vorige eigenaar de heer van Nyenrode. Tevens wordt hij verm. op 16 juli 1646 (not. Akte) wegens het doen van een verzoek voor het hof van Utrecht om ten behoeve van hem de hofstede Cahorn met huis en landeryen te transporteren.

5.   Willem Cornelis verwey, vermeld not.akte 11 okt. 1654 waarbij hij samen met zijn broer Thomas verklaard de zorg voor hun moeder op zich te nemen.

 

 

Cornelis Cornelisz Verwey (stiefzoon van Jan Jacobs van Wervkhoven) machtigt op 15 mei 1641 bij notariële acte (notaris W. Brecht te Utrecht) Henrick Rutgersz en Jan Cornelisz Wantenaer “om te doen arresteren Cryn Antonisz, wonend in het gerecht van Nyenrode en van hem te eisen afdoening van koopmansbrief f.150-0-0 die Jan Jacobsz Tichelaer te Maarssen tot zyn last genomen”. Bij  het passeren van genoemde koopmansbrief ten laste van Cornelis Cornelisz Verwey traden op als borgen Henrick Rutgersz en Cornelis Woutersz Wantenaer.

Jan Jacobsz Tichelaer te Maarssen wordt op eveneens 15 mei 1641 vermeld in een notariele acte (notaris G. van Waey) vanwege een “koopmansbrief f.150-0-0” die hij van zijn stiefzoon Cornelis Cornelisz Verwey tot “zyn last genomen heeft”

In 1643 transporteert Jan Jacobs van Werckhoven 1/3 deel van 1 1/2 morgen uitgeticheld land (voor klei afgegraven land) naar zijn zoon Jacob Jans van Werckhoven. Ook verm.: ‘Jan Jacobs van Werckhoven en Janneken Barten syn huisvrou, heeft op dese tijd blijkende geboorte bij heeft (....) schuldig 60,- aen Jacob Augustijn secretaris’. (protocol gerecht Maarssen).

Hieruit:

1. Jacob Jansz van Werckhoven, geb. tussen 1595 en 1605 (in 1634, evenals zijn broer Cornelis, vermeld als meerderjarig [protocol gerecht Maarssen]), overl. voor 1658, tr. Hendrickgen Dirks, overl. na juni 1649 (dan nog verm. protocol gerecht Maarssen), dr. van Dirk Augustijns van Eck. Jacob Janssen van Werckhoven is ca. 1652/1653 [handschrift is van ca. 1652/1653:] huurder van een graf in de kerk van Maarssen (reg. graven kerk Maarssen: "graf no 32 compt aen Bart Jansz., compt nu Jacob Janssen van Werckhoven"): mogelijk betreft dit het overlijden van zijn echtgenote, of een van de (schoon)ouders.

Jacob is een zwager van Cornelis Jans van Roijen (die tr. Weijntgen Dircx, en vanaf 1660 eigenaar van de tegelbakkerij) en hij is tevens zwager van Antonis Jacobsz van den Brenck (tr. Maria Dirckx, eveneens een dr. van Dirk Augustijns van Eck). Een broer van Antonis, Reyer Jacobs, tr. een dr. van Jacob’s oom Cornelis Hermens Preit.

Jacob woonde vóór 1644 met zijn gezin te Zuilen, mogelijk al op jonge leeftijd, maar met zekerheid in de jaren 1638 en 1639 (akte not. Willem Brecht, 11 december 1638), (archief leenhof, en 49-1425, gerecht Maarssen, december 1639: ‘Jacob Jansz van Werckhoven, wonende tot Suijlen als man ende voogt van Hendrikje Dirx’). Waarschijnlijk was Jacob te Zuilen werkzaam op de tegelbakkerij van zijn oom Jan Jansen Ticchelmaker (zie hierna onder B).

Jacob’s vader, Jan Jacobs van Werckhoven, transporteert in 1643 aan hem 1/3 deel van 1 1/2 morgen uitgeticheld land. In 1644 wordt Jacob Jansz van Werckhoven vermeld als huurder van de tegel- of pannenbakkerij te Maarssen (archief leenhof). Op 16 maart 1648 verkoopt Jacob een derde deel van een morgen land aan Bartha van Veren, wed. van Willem van Steenbergen. Jacob behoudt het recht tot afgrift (recht tot het afgraven van klei). In 1648, 1649, 1652 wordt Jacob Jans van Werckhoven vermeld als wonende te Maarssen, en hij is dan ‘tichelaar’ en werkzaam op de tegelbakkerij van zijn vader.

(49-1425, gerecht Maarssen) 8 juni 1649: 'Jacob Jansz van Werckhoven, tichelaer in deze gerechte, als man en voocht van Henrickgen Dirkxdr. sijn huijsvr. mitsg. Antonis Jacobsz vande Brenck als getrout hebbende Maria Dircxdr. sijn huijsvr. (..) neffens Cornelis Jans van Roijen mede als vooght van zijn huijsvr.onderschr. eenige erfgen. van Dirck Augustijns en Maria Hendricxdr. haerl. ouders beide za: gedachte. Ende zij comp. bekende ende beleden voor haer en haerl. respectieve erfgen. dat bijde maechgescheijde tuschen henne ouders naergelaten goederen des boedels van voortsz. haerl. ouders opgerecht den voorts Cornelis van Roijen nomine exoris ten lote gevallen, ende toegevoecht is seecker camp twee mergen een deele weij en anderdeels hoijlant gelegen inde .aten dese gerechte strekkende vande Vechtdijck westw. op tot in ofte over de Maethweteringe toe daer de Abdije van St. Catharijne boven en de wed. en erfgen. van van za: Corn. Goijerts beneden naest gelant zijn, en bekenne zij comp. daer negens andere geoderen van gelijcke waerdije uit den selve boedel genoten te hebben, renvecieren alsulcx daer van en van allen oude brieven en bescheijden daer van roepen en spreecken alles ten behoeven van voorn. Corn. Jans van Roijen en Weijntgen Dircxdr. zijn huijsvr. sonder daer aen ijetwes te resteren sonderarch.'

Jacob Jansz van Werckhoven treedt op aug. 1649 te Amsterdam op als getuige in een notariele acte (notaris Joris de Wijse) bij de aflossing van een door Jan David Steenkooper aangegane schuld van 200 gulden.

In februari 1652 krijgt Jacob van zijn vader de tegelbakkerij overgedragen (transport: not.akte d.d. 15 februari 1652). Op 2 maart 1652 verleent Jacob een volmacht ten behoeve van Bartha van der Venne, wed. van Willem van Steenbergen, vanwege een hypotheek van 500 gulden op het huis en de tegelbakkerij. Zijn vader, Jan Jacobs van Werckhoven, draagt op 13 maart 1652 ook het leen met de tegelbakkerij en de twee bijbehorende huisjes, alsmede het huis op de steenbakkerij, over aan zijn zoon Jacob [bron: leenhof Stichte lenen]. Er is dan sprake van een hypotheek van fl. 2300- op de tegelbakkerij [leenhof Stichtse lenen, 191-2, pag. 530, met verwijzing naar register]. ‘Jacob Jans van Werckhoven, tichelaar’, machtigt op 22 mei 1652 Maria Dirks te Utrecht om 50,- te vorderen (protocol gerecht Maarssen).

Na zijn overlijden wordt de weduwe (zonder verdere naamsvermelding) van Jacob Jans van Werckhoven in het register van het leenhof in 1658 vermeld als tegenwoordige eigenaresse van de tegelbakkerij. Het leen met daarop de tegelbakkerij gaat op 26 november 1659 over naar zijn zoon Dirck Jacobs van Werckhoven 'ten behoeve van hem selfe ende sijn mede erfgenamen na dode van Jacob Jans van Werckhoven sijn vader zaliger', en gaat op 4 februari 1660 over op Cornelis Jans van Rooijen 'in opdracht van Dirck Jacobs van Werckhoven cum suis'. Van de transporten in 1652, 1659 en 1660 is geen akte voor het gerecht van Maarssen opgemaakt (protocollen zijn volledig doorgenomen tussen 1651 en 1669). Dit komt mogelijk doordat Cornelis Jans van Rooijen een zwager was van Jacob, dus familie, en de formele overdracht van onroerend goed daarom mogelijk niet noodzakelijk was.

Het is niet met zekerheid vast te stellen wanneer Jacob is overleden. De laatste vermelding waarbij hij nog in leven is dateert van maart 1652 (register Leenhof Utrecht). In het archief van het Hof van Utrecht (raadsherenhof: 239-1, 252) bevindt zich de boedelbeschrijving van ca. december 1658 vanwege de nalatenschap van Jacob (Zie ook: transcriptie). Deze beschrijving is opgemaakt wegens mandamenten van benificie van inventaris op 20 november 1658 verleent aan ‘de mondige mitsgaders den mombers van den onmondige kinderen van Jacob Jans van Werckhoven’. Uit de boedelbeschrijving zelf valt echter op te maken dat er al voor meerdere jaren (rente)schulden onbetaald zijn gebleven, waaruit kan worden afgeleid dat Jacob mogelijk al jaren daarvoor was overleden, maar dat nalatenschap wegens de schuldeisers nog niet over de erven was verdeeld. Mogelijk was er sprake van een geschil tussen de weduwe en de kinderen van Jacob?

Waarschijnlijk zijn Jacob of zijn kinderen rond 1640 naar de hervormde kerk over gegaan: zijn beide broers, Cornelis en Adriaen laten in Amsterdam en Utrecht hun kinderen dopen bij de hervormde kerk. Ook was zijn dochter Jannigje was lidmaat van de herv.kerk van Maarssen. En waarschijnlijk was ook de schoonvader van Jacob, Dirk Augustijn, hervormd (diens broer, Jacob Augustijn, oom van Hendrikgen Dirks was diaken van de herv.kerk van Maarssen, en hun vader was daar eind 16de eeuw koster).

Hieruit:

1.    Cornelis Jacobsz; Cornelis Jacobsz Coninck (vernoemd naar de broer en/of oom van zijn vader, en/of diens stiefbroer), geb. ca. 1629. Zie verder de genealogie (de) Koning (klik hier).

 

2.    Jan Jacobs (vernoemd naar zijn grootvader), geb. ca. 1620, mogelijk dezelfde als Jan Jacobs die als  jongman van Maarssen, wonende Jutphaas, te Maarssen trouwt (Ned.Herv.) op 7 maart 1641 met Marrigie Comelis van Harmelen, wonende te Zuilen, wed. van Aldert Jansz. (Verschooff, tichelaar te Zuilen). Een van haar voorkinderen, Jan Eldertss Verschooff, werkt later als tichelaar op de pannenbakkerij te Maarsen, welke later wordt gekocht door diens zoon Lodewijk Verschooff. Jannetje de Koning, kleindochter van Cornelis Jacobs,  woont in 1757 te Maarssen en wordt dan vermeld vanwege de toekenning van een legaat door Lodewijk Verschooff.

Mogelijk is  Marrigje Cornelis na het overl. van haar voorgaande echtgenoot op de tegelbakkerij te Maarssen gaan werken, want het lidmatenregister van de gereformeerde gemeente van Maarssen vermeld ca. 1639: 'Marrigie Comelis, wonende op Jan Jacobsz. Preytsen (Jan Jacobsz. van Werckhoven) tichelwerck'

 

3.    Frans Jacobsz (waarschijnlijk vernoemd naar zijn vaders stiefbroer), overleden voor juli 1676, tr. 1e Gijsje Cornelis; tr. 2e Maarssen (ondertr. Zuilen 2) 16 juni 1661 Grietje Meesen, ged. te Maarssen 16 jan. 1631, overl. te Zuilen maart 1678, dr. van Bartholomeus Jansz. van Goch(Mees/Bart Jans) en Jannighie Cornelis. De schoonvader van Frans is waarschijnlijk dezelfde als Bart Janss die in 1629 bij de koop door Jan Jacobs van de tegelbakkerij te Maarssen (zie hierna) het recht op huur van een huisje behoudt zo lang hij leeft (bron: protocol gerecht Maarsen). Bart Jans wordt ook verm. in het register van graven in de kerk van Maarssen: "graf no 32 compt aen Bart Jansz. compt nu (= eigendom van het graf) Jacob Janssen van Werckhoven".

 

4.    Jannigje Jacobs van Werckhooven (vernoemd naar haar grootmoeder), geb. ca. 1636, begr. Amsterdam (Leidsekerkhof) 12 febr. 1670[i], o.tr. 1659 (te Vleuten getrouwd 12 mei) als j.d. van Maarssen te Maarssen Klaas Geurtsen j.m. van Thiel, schippersknecht op de Utrechtse veer [1671, 1686], kan niet schrijven, begr. Amsterdam 30 juni 1686[ii]. Lidm.reg. herv.kerk Maarssen 1661: Jannechie Jacobs (van Werckhoven), huisvrouw van Claes Geurtsen Smal, onder attestatie vertrokken (naar Amsterdam). Het echtpaar woonde te Amsterdam in de Utrechtse dwarsstraat tussen de Utrechtse straat en de Amstel waar Claas Geurtse Smal ook na het overlijden van Jannigje is blijven wonen (tot ca. 1679). Claas hertr. aldaar (‘weeskamer voldaan’) op 27 februari 1671 (496/154) Ariaantje Meijnders van der Heijde, afkomstig van Utrecht (zij woonde in 1671 in de Rosemarijnsteeg), bij haar huw. 25 jaar oud. In 1682 en 1684 woont Claas in de Kerkstraat bij de Amstel, en bij zijn overlijden in 1686 woonde hij op de Amstel tussen de Prinsengracht en de Utrechtse Dwarsstraat. Jannigje is in 1670 get. bij het huw. van haar zuster Aertje van Werckhoven.

Jannigje wordt in de boedelbeschrijving van 1658 (betr. de nagelaten boedel van haar vader) genoemd als de dochter (van Jacob Janss van Werckhoven) welke verklaarde dat een voorraad pannen op de pannenbakkerij toebehoorde aan een Amsterdamse koopman. Op grond hiervan kan worden aangenomen dat Jannigje op dat moment zelf werkzaam was op deze pannenbakkerij. Claes Guertsz en Jannitie Jacobs laten in Amsterdam (Zuiderkerk, n.h.) de volgende kinderen dopen (NH): Geurt (23 jan. 1661), Jacobus (7 jan. 1663), Hendrickije (5 nov. 1664), Jacobus (21 dec. 1666, begr. aldaar 6 okt. 1671), Pieter (7 april 1669).

 

5.    Dirck Jacobsz van Werckhoven, geb. ca. 1630, overl. voor 1671, tr. (als j.m. van Maerssen, get. is Joh. Hondius, predikant te Maarssen) Utrecht (St. Anthonigasthuis; o.tr. Maarssen, herv.) 30 mei 1665 Teuntje Jans (j.d. van Abcoude). Teuntje wordt in 1658 vermeld als ‘Teunthje Jans’ in het lidmaatregister (herv.) van Maarssen (‘van ons aengenomen den 22 Decemb. 1658’), en zij wordt tevens in 1674 in het lidmaatregister vermeld als ‘Theuntjen Jans’. Zij hertr. (als weduwe van Dirck Jacobsen, woont dan te Maarssen) Maarssen 21 mei 1671 (o.tr. Utrecht 30 april, att. Maarssen) Cornelis Cornelissen van der Schoof (j.m. van Utrecht, woont buiten de Weertpoort).

Dirck werd in 1659 beleend met de grond waarop de tegelbakkerij van zijn vader, en het huis op de (naastgelegen) steenbakkerij: (leenreg. 26 nov. 1659) ‘Dirck Jacobs van Werckhoven, met en ten behoeve van zijn mede erfgenamen na dode van Jacob Jans van Werckhoven zijn vader zal', en ditzelfde leen gaat op 4 febr. 1660 over op Cornelis Jans van Rooijen 'in opdracht van Dirck Jacobs van Werckhoven cum suis [bron: leenhof Stichtse lenen, 191-2, pag. 530]. Van de waarschijnlijke transporten van de tegelbakkerij zelf, in 1659 en 1660, is echter geen acte voor het gerecht van Maarssen opgemaakt (protocollen zijn volledig doorgen. tussen 1651 en 1669). Waarschijnlijk is Dirck Jacobsz van Werckhoven in 1665 en 1674 vernoemd bij de doop van een kind van Cornelis Jacobsz Coninck.

Waarschijnlijk zijn de kinderen van Dirck, na het overlijden van hun moeder, verzorgd door zijn zuster Aeltje Jacobs va Werckhoven. Dit verklaart waarom zij bij hun huwelijk in Amsterdam woonachtig waren. Aeltje Jacobs van Werckhoven was bij het huwelijk van beide dochters van Dirck getuige, en zij werd ook steeds bij de dopen van hun kinderen als getuige vermeld.

 

Kinderen van Dirck:

a)   Henderina van Werkhoven, Hendrickje Dirckx, ged. Maarssen (als Henderickje, dr. van Dirck Jacobsen en Teuntje Jans) 26 juli 1665 (bij haar huw. in 1689 was opgetekend dat zij 22 jaar was), bij haar huwelijk vermeld als afk. van Amsterdam (haar ouders waren toen al overleden, en haar tante Aertie van Werckhoven was toen getuige), begr. Amsterdam 20 aug. 1741 (St. Anthonis Kerkhof; zij woonde toen ‘op de Seedijk bij de Waaterpoortsteeg’), o.tr. Amsterdam 23 maart 1689 Gerrit (de) Bok (Bock), schuijtevoerder, ged. Amsterdam (rk: Kerk De Star) 13 febr. 1668, begr. Amsterdam 19 juli 1710 (Heiligewegs- en Leidsche Kerkhof (hij woonde toen op de Turfmarkt op de hoek van de Vijzelstraat, en laat na 4 kinderen), zn. van Jacob Gerritsz Bock en Beatrix Egberts Keijser. Hendrickie tekent bij haar huw. met een merk (kruis), en beide echtelieden woonden toen in de Amstelkerkstraat. Zij laten te Amsterdam de volgende kinderen dopen (rk): Beatrix, ged. Amsterdam (De Duif) 25 jan. 1690, Maria, ged. Amsterdam (Kerk Het Haantje; get. Saertje Pieters en Japick Dirckx) 25 aug. 1691, Jacobus, ged. Amsterdam 12 febr. 1693 (Kerk het Haantje, get. Egbert Jans Keijzer en Marrijtje Keijzers) Maria, ged. Amsterdam 28 sept. 1694 (Kerk Het Haantje, get. Jan Keijzer en Petronella van Werckhoven), Jacobus, ged. Amsterdam 2 mei 1696 (Kerk Het Haantje, get. Pieter de Bock en Aeltje van Werckhoven).

b)   Mogelijk: Japick Dirckx, geb. ca. 1666, in 1691 get. bij de doop van een kind (Maria) van zijn zuster Henderina.

c)    Petronella van Werckhoven, geb. ca. 1669 (bij haar huw. 29 jaar),  begr. Amsterdam (Leidskerkhof) 18 okt. 1750, o.tr. 1e Amsterdam 5 april 1698 (get. haar tante Aertje Jacobs) Renier (Dircks) Molenaer, geb. ca. 1674, pennebereijder, zn. Van Baltazar van Melle, o.tr. 2e Amsterdam 3 okt. 1710 Thomas Cranenburg (bij huw. 38 jaar, woont dan in de Tuinstraat), begr. Amsterdam 1 april 1717 (woonde toen in de Beulingstraat ‘over de Leijdsegracht’), zoon van Hendrik van Cranenburg. Petronella woont in 1710 in de Beulingstraat. Petronella woonde ook in 1698 bij haar huw. in de Beulingstraat, en haar ouders waren toen al overleden. In 1750 woont Petronella ‘ten huijse van Claas van Ree in de Roose straat bij de laatste dwarsstraat’. Zij tekent bij haar tr. met een merk (kruis). Kinderen van Petronella: Maria Moolenaar, ged. Amsterdam 6 febr. 1699 (de Zaaijer); Theodorus, ged. Amsterdam 6 juli 1701 (de Zaaijer; get. Aertje van Werckhoven en Gerrit Kruijff); Joannes, ged. Amsterdam 24 okt. 1703 (de Zaaijer; get. Jo’es Molenaer en Aertie de Cruijff); Henrica Maria, ged. Amsterdam 19 april 1706 (de Zaaijer; get. Aertje van Werckhoven en Gerrit Kruijff); Henrica Maria, ged. Amsterdam 22 dec. 1707 (de Zaaijer; get. Aertje van Werckhoven en Gerrit Kruijff).

  1. Aertje/Aeltje van Werckhoven; Aartje Jacobs; Aerttien Jacobs van Werckhoven (1675, 1679, 1681, 1684, 1685, 1701, 1706, 1707), Aeltie van Werckhoven (1690, 1701), Alida van Werckhoven (1714), Adriana van Werckhoven (1718), geb. ca. 1646 (bij haar huw. in 1670 was zij 24 jaar; haar ouders werden toen verm. als overleden en Aertje woonde toen ’int Clarisseclooster’), afk. van Maarssen (verm. bij haar huw. in 1685), begr. Amsterdam (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk, 1057, p180vo en p181) 24 nov. 1718, o.tr. Amsterdam 1e 23 mei  1670 (get. was haar zuster Jannetie van Werchoven) Michiel/Michael Pietersen Spanseerder/Spancerders, 34 jaar. Michael wordt in 1670 verm. (weeskamer) als de oom van de kinderen van Jannigje Jacobs van Werckhoven en Claas Geurtsz Smal, begr. Amsterdam (Nieuwe kerk en Engelse kerk) 12 okt. 1679, o.tr. 2e Amsterdam (als Aartje jacobs van Werkhoven) 19 april 1681 Anthonij Stierenberg (hij was sinds april 1680 wed. van Elisabet Medouw), wijnkoper, begr. Amsterdam (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk) 13 nov. 1684, tr. 3e Amsterdam 2 aug. 1685 Otto Kruijff, wijnverlaater, geb. ca. 1649, woonde in 1685 op de Zeedijk, begr. Amsterdam (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk) 15 aug. 1690.

Aeltie van Werckhoven is op 2 aug. 1701 samen met Gerrit Cruijff get. bij de doop van Michael, zn. van Bartolomaeus Buijtenen en Wijntien Spanseerders. Ook is zij als Alida Werchoven op 19 april 1714 get. bij de doop van de kinderen (Gerard en Jacobus) van dit echtpaar. Ook is zij samen met Gerrit Kruijff in 1701, 1706 en 1707 getuige bij de doop van kinderen van het echtpaar Renier Molenaer en Petronella van Werckhoven (Aertje wordt bij huw. van Petronella vermeld als haar tante). Aertje tekent in 1681 met een merk (kruis), maar kan in 1685 wel haar naam schrijven, zij woont dan op het Singel. In 1689 wordt zij verm. als get. en tante bij het huw. van Hendrickie van Werckhoven en Gerrit de Bock.

Waarschijnlijk heeft Aeltje, na het overlijden van hun moeder, de kinderen van haar broer Dirck verzorgd (wat verklaart dat beide kinderen bij hun huwelijk in Amsterdam woonachtig waren) Aeltje wordt als getuige vermeld bij het huwelijk van beide kinderen, ook werd ook steeds bij de dopen van hun kinderen als getuige vermeld.

 

Hieruit:

a)   Wijntje Spanseerders, Ludowina Spanseders, Weintie Michiels Cruijf, ged. Amsterdam (De Krijtberg, rk) 25 nov. 1672, bij huw. verm. als 23 jaar oud, begr. Amsterdam (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk) 15 april 1747, o.tr. Amsterdam 28 jan. 1696 (get. is haar moeder Aertie van Werkhoven) Bartholomaeus Buijtenen, geb. ca. 1669, boekhouder. Op 31 maart 1732 is het echtpaar get. bij de doop van een kind (Michiel Bartholomeus) van Michiel Buijtene en Barbara Ellisabeth Kijser. Aertie kan schrijven (1696). Dit echtpaar laat te Amsterdam de volgende kinderen dopen: Maria Anna, ged. Amsterdam 14 juni 1697 (De Krijtberg), begr. Amsterdam (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk) 10 juli 1697; Petrus, ged. Amsterdam 9 aug. 1698 (Kerk De Krijtberg); Michael Buijtene, ged. 2 aug. 1701 (De Krijtberg; get. Gerret Kruijf en Aeltie Werckhoven), tr. voor 1732 Barbara Ellisabeth Kijser; Gerard, ged. 19 april 1714 (Kerk ’t Boompje: get. Bartholomeus Berkel en Alida Werchoven); Jacobus, ged. 19 april 1714 (Kerk ’t Boompje; tweeling met voorgaande).

 

b)    Hendrikje/Hendrina Spanseerders, ged. Amsterdam (De Krijtberg, rk) 20 jan 1675 (ouders: Aertje van Werckhoven en Michiel Spancerders), begr. (Nieuwe Kerk en Engelse Kerk) 31 mei 1710. 

 

2. Cornelis Jans van Werckhoven, Cornelis Jans, geb. ca. 1608-1610 (in 1634 verm. als meerderjarig), metselaar [1636], overl. in 1637 (waarschijnlijk begr. In de Oude Kerk op 17 okt. 1637: Cornelis Jansen, kompt uijt de Drije Konijnestraet uijt op den Singel), tr. (444/279) Amsterdam 3 mei 1636: Cornelis Jans van Werckhoven, van Maerssen, metselaer, 24 jaren, oude sijts heergraft, wiens consent bleeck onder de hant van seeker notaris gepas., ende Lijsbeth Aerjans (Adriaens), van Delft, out 24 jaren, wonende op de coninxgraft (Singel) geass. met haer moeder Marritje Aerjansdr. [kantlijn:] Deser personen zijn getrout den 18 maij 1636 tot Diemen door Timotheus Rolandus pred. van Oude kerk. De inschrijving is ondertekent met 'Cornelis Janss'. Lijsbet Adriaens hertr. (gerecht Amsterdam 14 nov. 1638, o.tr. Amsterdam 30 okt. 1638, ‘weeskamer voldaan 10 november 1638’) Claes Ariaens, metselaar. Lijsbeth wordt dan eveneens verm. als afkomstig van Delft en woont dan eveneens aan de Conincxgracht, en verklaart dan anderhalf jaar weduwe van Cornelis Jans te zijn. Inbrengregister weeskamer Amsterdam (inv. 5073), boek 24, blz. 27: ‘Den 10 november 1638 heeft Elizabeth van Werckhoven adriaens dochter geass. met Philips Fransz haren vooght in desen get.ren bewesen haren soon Jan out 2 jaren daer vader aff was Cornelis Jansz van Werckhoven metselaer, voor zijn vaders erve de somme van eenhondert gulden eens, ende zal haren sone houden, en onder verbant, en des zal zij voorts blijven zitten, ende ten behaeche Jan Jacobsz van Werckhoven des kints grootvader blijckende bij de acte van uijtcoope daer van in de lae gelegd’. Philips Fransz is een zwager van Lijsbeth en o.tr. Amsterdam 23 febr. 1636 haar zuster Maike Ariaens.

Hieruit:

1.    Jan, ged. Amsterdam 30 dec. 1636 (Nieuwe Kerk, NH, vader: Cornelis Jans, moeder: Lijsbeth Aerjans; get. Jan Jacobs [van Werckhoven]), overl. na 10 nov. 1638.

3. Adriaen Jans van Werckhoven, geb. ca. 1610-1619 (in 1634 onmondig: beide broers treden op als zijn voogden). Hij wordt in 1644 verm. (leenhof, en protocol gerecht Maarssen) tezamen met zijn vader, als wonende te Utrecht, en als (mede)principaal ('elck voor all in solidum vermogens'). Adriaen Jansz van Werckhoven, woont in 1647 en 1650 bij de Weertpoort te Utrecht, en in 1650 en 1659 in de Lange Lauwerstraat aldaar, tr. Utrecht (geref., Ant.gasthuis.) als j.m. 11 mei 1647 Trijntgen Cornelis van Goeijen/Goijen, j.d. afk. van Leijden, wonende bij de Weertpoort. Tevens verm. als Adriaen Jans van Werckhoven, metselaer, die op 7 maart 1657 als nieuw burger van Utrecht wordt aangenomen. Tevens: Arien Jansen van Werckhoven wordt in 1650 verm. als 'gildebroeder steenbisker gilde te Utrecht'. Arien van Werkhoven (tekent ‘Aerien Jansen Werckhoven’), meester metselaar, woont op 31-7-1674 in de Louwerstraat, en huurt daar een huis van Aeltjen Stevens van Beeckum (wed. Elias Semmer/Simmer). Op 5 aug. 1661 wordt te Utrecht een kind van Adriaen en Trijntgen begraven.

Hieruit:

1.    Cornelis, Cornelis van Werckhoven den ouden, ged. Utrecht (Jac.kerk) 20 dec. 1648, verm. 29-4-1691 als meester metselaar te Utrecht, overl. voor 05-01-1729 (dan boedelscheiding), tr. 1e Utrecht juni/juli 1673 (Marechje) Maria Simmers, dr. van Elias Simmer en Aeltje Stevens van Beeckum (Cornelis krijgt op 29-4-1691 uit de erfenis van zijn schoonouders een huisinge en camer nz Lange Louwerstraet), overl. na 29-04-1691, tr. 2e voor 1703 Lysbet Versteegh, overl. voor febr. 1705, eerder wed. Dirck van Holst, tr. 3e voor 15-6-1714 Jacomina van der Sluys, overl. na 05-01-1729, dr. van Aeltgen Cornelis van Werckhoven en Jan Jacobss van der Sluys. Op 11-09-1708 wordt Cornelis van Werkhove, meester metselaar verm. wegens verkoop van een huis nz Lange Lauwerstraet, hoek Witsteegie aan Neeltien van Leeuwen. Zelfde wordt vermeld in de transportakten Utrecht waarbij Cornelis op 13 sept. 1708 een huis aan de noordzijde van de Lange Lauwerstraat, op de hoek van het Witsteegje transporteert (westwaards 2 cameren die door Cornelis zelf bewoond worden), waarvan de uitgang van het huis zich bevind in het steegje, en waarop een plecht rust van 300 gulden (aangegaan 10 aug. 1701) ten behoeve van Judig van Holst. Cornelis woont op 15-6-1714 in de Lange Lauwerstraat en is dan gehuwd met Jacomina van der Sluys. Echtpaar laat op 28-04-1716 voogdbenoeming via not.akte opmaken. Cornelis wordt verm. 02-09-1703 vanwege schuldbekentenis - f 150,- vanwege borgtocht ten behoeve van predikant Johannes van Holst gepresteerd, en 25-02-1705.

Uit eerste huwelijk, verm. 03-01-1713 en 27-04-1716, 05-01-1729:

a.    Lidia van Werkhoven, overl. na 22-04-1736.

b.    Aaltie van Werkhoven, overl. na 22-04-1736.

c.    Cornelia van Werkhoven, overl. na 22-04-1736.

d.    Jannichie van Werkhoven, zij krijgt vruchtgebruik, zolang zy ongetrouwd blyft seclusie van de momberkamers.

e.    Kornelis van Werkhoven den jongen , overl. na 22-04-1736.

f.     Henrikje van Werkhoven, overl. na 22-04-1736, tr. Henricus van Dalen.

g.    Arnoldus van Werkhoven, overl. in dienst van de VOC (verm. 22-04-1736).

Uit het derde huwelijk:

h.    Abraham van Werkhoven, overl. na 22-04-1736.

 

2.    Aletta, ged. Utrecht (Jac.kerk) 8 dec. 1650, overl. na 3 jan. 1713 (testament), tr. Utrecht 12 maart 1684 Anthoni van Wyk, cruydenier.

3.    Johannes, ged. Utrecht (Jac.kerk) 24 juli 1659, begr. aldaar 8 aug. 1659.

 

B. Jan Jansen Ticchelmaker, tot Zuijlen, geb. ca. 1570, tr. 1e Maricghen Barten (zuster van Eechgen Barten, Annichgen Barten en Jannichgen Barten, tezamen verm. in not.acte d.d. 12 jan. 1673; U070a005), o.tr. 2e Utrecht, Barbara Hendrix, afk. van Maarssen (attestatie gegeven naar Maarssen op 21 dec. 1616 om er te trouwen; 91/339). Jan Jansen Ticchelmaker is vanaf 1612 eigenaar van de tichelarij te Zuilen waarnaast zo’n 10 tot 30 jaar later het nog bestaande huis Diedrichtsteijn is gebouwd (76, inv. 202):  kopie van erfpachtbrief (kopie in 1647 afgegeven 'ten tijde als Jan Jans tot Suijlen versocht dat Jan Jans Timmerman sijne swager worden verlijdt') m.b.t. aangegane erfpacht op 18 dec. 1612: 'Jan Jans, bij content van Floris Claesz (..) een erfland 14 roeden bij 10 a 12 roeden, suijdwaarts Claes Jans, noordwaarts Thonis Joostens'. Deze erfpacht betreft de grond waarop de tichelarij ten zuiden van het later gebouwde huis Diedrichsteijn stond en die op 4 dec. 1647 door zijn zoon Jan Jans (van Zuilen/de Vries) aan Jan Frans (Jan Jans Timmerman) werd overgedragen (76, 222): 'Een erff lang 14 breed 10 off 12 roeden met de slooten aan de oost en westzijde (actes 1647-1713: 'sullx t selve int ter tijd affgeleijnd is'). In actes 1647-1713, voorwaarde: 'dat anderen den sloot ter westen

Eigenaars en gebruikers van de tegelbakkerij te Zuilen, naast Diedrichsteijn

De tegelbakkerij (‘tichelarij’) stond op erfpachtgrond van het Huis Zuilen (inv. 76), aan de noordzijde van het dorp. Register erfpachten (inv.nr. 222): 'Een erff lang 14 breed 10 off 12 roeden met de slooten aan de oost en westzijde, daar van outs zuijtwaarts Claes Jans c.s., ende noordwaarts Thomas Joostens naast geland zijn ofte met regt gelaten hebben. Jaarlijkse pagt 't jaar f 2:5:- In aktes 1647-1713 staat tevens de voorwaarde: 'dat anderen den sloot ter westen met deurvaaren ofte schouwen te leggen aen den wege sullen mogen gebruicken als van outs bij den Grave van Egmont in erfpagt uijtgeslagen'.

1524: Jan Jacobs, ticghelaer (huisgeldregister financiële instellingen: Swesereng onder Suijlen)

Tot 1612: Floris Claesz (van Schaijck), Floris Claesz Tichelaer, ook verm. (76, 154); ook verm. in 1613: Floris Claes 'uit erf 14 roeden bij 12 roeden', en Floris Claes: '1 erf' (76, inv. 155: erfpacht 1612-1613).

1612-1647: Jan Jansen Ticchelmaker. (76, inv. 202): kopie van erfpachtbrief m.b.t. aangegane erfpacht op 18 dec. 1612: 'Jan Jans, bij content van Floris Claesz, een erfland 14 roeden bij 10 a 12 roeden. De erfpacht gaat vervolgens over op zijn zoon, Jan Jans van Suijlen/de Vries, tot dec. 1647.

1619: 'Jacop Jansz. Tichelaer tot Zuylen' huurt in 1619-1620 van de heer van Zuilen 't Meerendijckers huijsje’. Dit huisje staat naast deze tegelbakkerij en op de grond waarop later de hofstede Diedrichsteijn wordt gebouwd, en waarschijnlijk was deze Jacob Jans dus op die tegelbakkerij werkzaam. Borg is Jacob’s ‘broeder’ (halfbroer, zwager?) Jan Claes tichelaer (76, inv. 171).

1638-1639: mogelijk is de bovengenoemde Jacob Jansz. identiek aan Jacob Jansz. van Werckhoven, een neef van Jan Jansen Ticchelmaker. In 1638 en 1639 wordt Jacob Jansz. van Werckhoven vermeld als wonende met zijn gezin te Zuilen. Omdat Jan Jansen Ticchelmaker diens oom was is hij dan waarschijnlijk eveneens werkzaam op deze tegelbakkerij.

1647-: Jan Frans alias Jan Jans, echtgenoot van Aeltje Jans. In dec. 1647 verkrijgt hij de tegelbakkerij door overdracht van diens zwager en zoon van Jan Jans (Ticchelmaker). Aeltje Jans is een dochter van Jan Jansen Ticchelmaker.

1684: de weduwe van Jan Frans betaalt vanwege haar ‘huijsinge en tichelarije’ een erfpacht van 2 gulden (jaarlijks) (76, 153). Tevens: de wed. Jan Frans uit haar huijsinge en tichelarije..... betaald over 1683, nog te betalen over 1684, 2 gld. jaarl. (76, 158: rekening over 1684).

1688: Arien Peters van Hernen, Gijsbert Jans van Breukelen (zoon van de hiervoor genoemde Jan Frans en Aeltje Jans) en Cornelis Jacobse Coning, pachten 2 morgen af te graven land (kleigrond) op de Swesereng ingaande petri 1689 voor de duur van 14 jaar (Kapittel St. Jan, 222, 176-2; betaling van de pacht met verm. van alledrie loopt door tot het jaar 1702). Alle drie zullen zijn toen huurder zijn geweest van een tegel-, pan- of steenoven zijn. Jan Frans en Aeltje Jans bezaten naast deze tegelbakkerij ook een andere panoven aan de overkant van de Vecht te Zuilen.

1690: transport tichelarij bij 't Loothuis (vernoemd naar het te gebruiken lood t.b.v. het tegelglazuur) aan oostzijde Vecht door de curatoren van Aeltje Jans de wed. van Jan Frans aan Herman Jans Verschuur, herbergier te Zuilen (76, inv. 222/302). (Waarschijnlijk is de tegelbakkerij slechts wegens geldproblemen verkocht en is het gebruik nadien bij huur door de wed. en nakomelingen van Jan Frans voorgezet).

1692 (7 dec.): Harmen Jansz Verschuyr (overl. in 1700), herbergier te Zuylen, verhuurt huysinge met tichelwerck te Zuylen (gelegen int dorp van Suijlen) aan Gysbert Jansz van Breukelen (zoon van Aeltje Jans) voor zes jaar. Gijsbert werkte waarschijnlijk in compagnonschap met Cornelis Jacobs Koningh, want in 1695 wordt Cornelis verm. wegens levering van een kleine hoeveelheid stenen aan de kerk van Zuilen. Ook is de schoondochter van Hermen Jansz Verschuyr, Catharina Tos (huisvrouw van Otto Verschuur) in 1705 getuige bij de doop van een kind van Dirk Cornelisz Koning.

1708 (23 aug.): erven Harmen Verschuer en Noya van der Sluys transporteren een huysinge ende tighelarye aan de oostzijde van de Vecht naar Johanna Verschuer (dr. van Harmen Verschuur).

1713 (5 febr.): Johanna Verschuur transporteert de tichelarij en (bijbehorend) huis aan Jan Schouten (76, inv. 302). Johan Schouten woont in 1711 te Maarssen en koopt in dat jaar ook het naastgelegen huis Diedrichstein.

1720: Dirk Cornelisz Koning koopt op 21 december 1720, bij publieke verkoop te Utrecht, voor 2150 gulden een pannenbakkerij met woning te Zuilen aan de oostzijde van de Vecht van Johan Schouten: 'erve, hujsinge, ticheloven en panhuis'. De Zuilense tijns werd daarbij door de Ambachtsheer van Zuilen  vastgesteld op 2 gulden en 5 stuivers.  (76, 302), 21 febr. 1721: transport door Johan Schouten c.s. van huis en tichelarij aan Dirk Koning. Op 1 nov. 1741 koopt Dirk samen met Cornelis van Ruyten van de VOC (Kamer van Zeeland) voor de duur van 14 jaar drie morgens land bij de valbrug van Zuilen om de kleilaag af te kunnen graven (t.b.v. zijn  tegelbakkerij).

1753-1768: Abraham Koning, tegelbakker, eigenaar (in 1754 overdracht door de erven van zijn vader Dirk Koning aan diens zoon Abraham: huisinge, erve, tegeloven en panhuis). Abraham wordt tevens verm. in een not. akte 1754: hij leent dan een bedrag van 1100 gulden van Peter van den Meulen te Amsterdam, 'belovende eerdaags een plecht te passeren voor het gerecht te Zuilen' (met de tichelarij die zijn vader heeft nagelaten als onderpand). Plecht wordt later overgedragen aan Nicolaes van Schalckwijk a Velden. Abraham wordt in not. akte 1763 samen met Peter van Dijk verm. als eigenaars en possesseurs van zekere huisinge, erve en grond mitsgaders vletsloot genaampt het Loothuis.

1768-: Nicolaes van Schalckwijk a Velden, eigenaar.

1772: Dirk Koning de jonge. De tichelarij wordt in dat jaar door Nicolaes van Schalckwijk a Velden verkocht aan Dirk Koning.

1803 ( 31 okt.): Dirk Koning verkoopt voor 6000,- aan Jan Bot: 'zeekere pan- en tiggelbakkerij met de huijzinge en annexe twee daghuurders wooningen, met deszelfs lootsen pan- en tiggeloven, blokdelen, misgaders tuijn, erve en grond staande en geleegen in de dorpe van Zuijlen strekkende voor van het Zandpad aan de riviere de Vecht tot de gemeene straat en over de straat tot aan het erf van de heer Sluitermean belend ten zuijden de heer Jan van Dijk en ten noorden gedeeltelijk de erven wijlen de heer Huijbert van Eee en de gemeene wef ofte wie allomme met regt daar naast geerft mogte weezen'.

1832 (kadaster): eigendom Adrianus Hartjens.

met deurvaaren ofte schouwen te leggen aen den wege sullen mogen gebruicken als van outs bij den Grave van Egmont in erfpagt uijtgeslagen'. Jaarlijkse pagt 't jaar f 2:5:-'. Dat de overgang van Jan Jans (Ticchelmaker) naar Jan Jans (van Zuilen/de Vries) niet in het erfpachtregister is opgetekend moet zijn doordat het goed nadien bij de erven is gebleven.

Hieruit:

1. Marritje Jans, geb. ca. 1625, overl. in 1674, tr. Westbroek 24 maart 1650 Jan Jans Fock / van Eijck, geb. ca. 1615, zoon van Jan Anthonis, overl. voor 1674. Verm. 10-8-1674. Waarsch. zelfde als: Jan Jansen van Dijck, geb. ca. 1625, j.m., tr. Westbroek 20 jan. 1650 Marichjen Jans j.d. 'beijde van Zuelen sijn alhier volgens attestatie van Zuelen bevestigt'. Echtpaar heeft twee naast elkaar gelegen tichelarijen in Zuilen. Jan Fock stelt zich op 14-09-1665 borg inzake een schuldbekentenis door zijn zwager Huybert Janss van Zuylen. Echtpaar bleef kinderloos. Trijntje Jans, een zuster van Jan Fock, neemt op 1 april 1680 van de diakonie van Zuilen de verzorging op zich van Jannighie Franss, een nagelaten dochter van Grietje Meesen en Frans Jacobs, de broer van Cornelis Jacobsz Coninck.

2. Aeltje Jans, geb. ca. 1614, begr. Zuilen 19 jan. 1701: 'Aeltie Jan Fransz'. Direct na haar overl. laten drie zonen van Cornelis Jacobsz Coninck elk een dochter met de naam ‘Aeltje’ dopen. Aeltje Jans tr. (huwelijk niet gevonden te Zuilen, Maarssen, of herv. Utrecht) Jan Jans alias Jan Frans (in 1647 ook genoemd: Jan Jans Timmerman, ook Jan Franse de Vries), geb. ca. 1610, overl. tussen 21-10-1667 en 1679, kan schrijven [schrijft: Jen Jansen], steenbakker, vanaf 1647 eigenaar tichelarij bij het huis Diedrichstein, verm. in rekest 1649 als gemeintelid kerk van Zuilen, diaken te Zuilen in 1652, in 1655 schepen te Zuilen. Waarsch. zelfde als Jan Jansen, tichelaar tot Zuilen verm. in 1655 (76, inv. 110), ook verm. 1654 (76, 719): Jan Jans anders genaampt Jan Frans tichelaar.Tevens: ‘Jan Jans nu vandaeg genaempt Jan Frans tichelbacker wonende tot Zuijlen’ wordt ook verm. in not. acte 19 aug. 1659 wegens een schuld van 250,- wegens een levering van lood (was benodigd vanwege het glazuur van de tegels). Jan Frans wordt eveneens verm. not. acte 9 april 1659 (not. Capels) wegens schuldbekentenis van 250,- i.v.m. levering van lood.

(76, 222): erfpachtreg. Huis Zuilen 4 dec. 1647: 'ten verzoeke van Jan Jans (van Zuilen/de Vries) gedaan t.b.v. Jan Jans timmerman sijn swager, een erff lang omtrent 14 roeden en 10 a 12 breed daer suidwaerts Claes Jans c.s en noortwaerts Thonis Joosten naes geland sijn' betr. grond van tichelarij bij Diedrichsteijn staat. (76, inv. 302): 4 febr. 1690: erven Jan Frans (de curator van Aeltje Jans, wed. Jan Frans): transport huis en tichelarij bij 't Loothuijs oostzijde Vecht  naar Herman Jans Verschuur.

(76, inv. 302): nov. 1648: transport voor gerecht Zuilen van een erf aan de oostzijde van de Vecht door Jan Claes c.s aan Jan Frans.

(76, 302): Jan Fransz transporteert op 8 jan 1657 een huisje aan de oostzijde van de Vecht aan Janneken Gijsberts, wed. van Ansem Gerrits.

Ook: in 1661 de afgrift van 6 morgen land van het Kappitel van St. Jan., in 1667 voldaan door Jan Fock c.s.: Jan Jans (= Jan Frans), Jan Fock, Huijbert Jans, Jan Jans van Breukelen.

(76, inv. 302): 'Uitstelling... tot vervallen van ongeleden...... setter (vijf schepenen) over jaer 1664: eerstelijk also den nabeschreven personen tot Suijlen woonachtig geen, immers weijnich, lants gebruiken: oa.  Jan Frans tichelaar in regard van sijn tichelarij en van de tichelarij Duijnkercken (3,- + 3,-): waarschijnlijk is Jan Frans na het overl. van Willem Cooth huurder geworden van deze tichelarij (verhuurt door de wed.)

(76, 302) 27 maart 1666: Jan Frans transporteert aan Gijsbert Jans en Maria Jacobs huis en tichelarij gelegen aan de oostzijde van de Vecht.

Jan Frans treedt samen met Jan Janss Fock  namens alle tichelaars van Sticht Utrecht op in overeenkomst met Jan Andries van Zuylen en Peter Egbertss van Winstveen namens alle tichelaars van de Vrijheit stad Utrecht d.d. 21-10-1667.

Jan Frans  wordt samen met Willem Joosten Cooth verm. als eigenaar van boomgaard en erf te Zuilen [oudschildgeld over Zuilen 1656].

De wed. van Bartholomeus van Vloeten wordt verm. 10-06-1668 bij een schuldbekentenis van Jan Jansen alias Jan Franssen m.b.t. 600 gulden met verwijzing naar plecht d.d. 12-12-1624 voor het gerecht van Zuilen.

Kapittel St. Jan, 222, 176-1: verm. als erf.gen. van Jan Fock wegens pacht af te graven land op de Swesereng: Jan Franse de Vries [1679, 1680 e.v.]

Verm. 1679: 'erfgenamen van de heer van Vlooten heben plecht van 600,- op de tichelarij van Jan Frans sal.,': en is door de Ds. voorgesteld een deel van 200,- of twee delen van deze plecht te kopen (t.b.v. de diakonie) [kerk.r. not.]. (76, 153) 1684: de weduwe van Jan Frans uit haar huijsinge en tichelarij, erfpacht 2 gulden (jaarlijks)

Hieruit:

a)   Gijsbert Jansz. van Breukelen, [not. acte: kind van Aeltje Jans], geb. ca. 1638, kan enigszins schrijven, (in 1675 diaken), in 1677 schepen, eigenaar pannenbakkerij, diaken in 1675-1676, schepen in 1677, 1697, overl. na 12-09-1697 en voor 1711 (mog. 2 nov. 1698: 'Gijs Jansen' = niet Gijsbert Jans Fock want die is voor 1693 overl.). (76, 302) 27 maart 1666: Jan Frans transporteert aan Gijsbert Jans en Maria Jacobs huis en tichelarij gelegen aan de oostzijde van de Vecht. Ook: huurt Gijsbert in 1677 de tichelarij Duinkerken van Neeltje Egberts, tichelaar in de periode 1679/83 op Duinkerken, huurt 7-12-1692 de tichelarij bij Diedrichsteijn van Harmen Jansz Verschuyr, in 1697 schepen te Zuilen, tr. ca. 1663 Marychje Jacobs, begr. Zuilen 24 april 1710. Register personele lasten gerecht Zuilen (707), 1697: betaald 6 stuivers ‘aen Gijsbert Jans voor 25 geele steentijens aent pastorije Suijlen’. Kapittel St. Jan, 222, 176-2: Arien Peters van Hernen, Gijsbert Jans van Breukelen, Cornelis Jacobse Coning, pacht 2 morgen af te graven land op de Swesereng ingaande petri 1689 voor de duur van 14 jaar (betaling van de pacht met verm. van alledrie loopt door tot het jaar 1702). Kinderen o.a.: Cornelis (1666: 1e kind!), Jan ('de oude', in 1711 verm.), Jan (in 1711 verm.),  Huybert 1674 [vern. naar voor 1669 overl. oom moederszijde], Maria (tr. Jan Cornelisz Koning, zoon van Cornelis Jacobsz Coninck) [vern. naar Merrigje Jans, de voor 1674 overl. tante moederszijde?]. De kinderen zijn de erven van Merrigje Jans en Jan Jans Fock (21-10-1711).

b)    Hendrik Jansz. de Vries, [not. acte: kind van Aeltje Jans; 21-10-1711], [geb. ca. 1647], kan schrijven, pannenbakker, in 1689 brughman te Zuilen, huurt in 1690 tapstede '' in de Swaen', overl. tussen 29-07-1693 en  12 aug. 1694 (waarschijnl. begr. Zuilen 22 nov. 1693: 'manso de Vris'), weert in de Zwaan te Zuilen (29-07-1693),  tr.  Zuilen 14/28-12-1673 Meijnsgen Verbaan (zij hertr. Gerrit Cornelisz Koning, zoon van Cornelis Jacobsz Coninck). Kinderen:  Neeltgen,  Aeltgen (tr. Dirck Cornelisz Koning, zoon van Cornelis Jacobsz Coninck), Annichgen, Jan, Wilhelm, Marie, Hendrik (1691).

Kapittel St. Jan, 222, 176-2: Arien Peters timmerman, tot Zuijlen en Hendrik Jans de Vries, pacht 7 morgen op de Swesereng (later 3,5), ingaande petri 1682 voor de duur van 24 jaar.. Ook: (76, inv. 18): 15 juli 1688: 'heeft Hendrik Jans de Vries, mede erfgen. van Jan Jans Fock en zijn huisvrouw verhuurt aen en t.b.v. Adriaen Peters van Hernen, timmerman tot Zuijlen, de huijsinge en erve mette tichelarije en pannenbakkerije aan de westzijde van de Vecht bij de brug voor 6 jaar so door verhuurder tot nog toe bewoont en gebruickt (..) voor 225,- per jaar'. Hendrik pacht in 1692 de impost op wijn en bier (gerecht Zuilen, 707, 41: reg. personele ongelden). In de lijst Dijkwachtplichtigen Lekdijk wordt Hendrik Jans de Vries verm. wegens 3,5 morgen. 25 juli 1677: 'kind [Cornelis Jans] van Jan Cornelis sal. besteet bij Heijndrick Jans' [kerk.r. not.; idem diakonieboekje], ook jaren 1678/1679 en 1680/1681.

c)    Hendrik Jansz. de Jonge, [not. acte: kind van Aeltje Jans], ged. Zuilen 1 jan. 1653 als kind van Jan Frans en Aeltje Jans, begr. 15-5-1714, tekent merk (vierkant), tr. Zuilen 21-10/5-11-1676 Grietje Huyberts van Rietveld. Verm. 21-10-1711.

Kinderen: Wijntje, Aeltje, Annichje (1682),  Aegje, Huybertje, Lijsbeth, Jan. Op 1 april 1679 wordt Bartelomeaus Franss (zoon Frans Jacobs, broer van Cornelis Jacobs Coninck, en Grietje Meesen) door de Diakonie van Zuilen ondergebracht bij Heijndrik Jans de Jong voor 2 jaar.

 

d)   Jan Jans van Breukelen, broer van Gijsbert Jans van Breukelen en Hendrik Jans de Vries (verm. Dorpsgerecht Breukelen, 1678 365/15), overl. 1678, verm. 1661 i.v.m. afgrift (zie hiervoor) samen met Jan Fock c.s.: Jan Jans (= Jan Frans), Jan Fock, en Huijbert Jans. Jan Jans van Breuckelen, jg. van Zuilen tr. 1e Zuilen 10 maart 1661 met Fijchjen Rijcke Paling (dr. van Rijck Jans Palingh als man van Eva Hendricx?), jd. wonende buiten Woerden op 't Tournoisveld, tr. 2e Zuilen 27 april 1662: Jan Jans van Breukelen, wed. van Fijchgen Rijcke Paling, Margerje van Portengen (j.d. van Breukelen, att. van Breukelen), dr. van Jacob Gijsbertss van Portengen en Cuynera Stricke. Jan Janss van Breuckelen ontvangt op 30-05-1664 van zijn schoonmoeder toestemming om een aantal goederen in bruikleen te gebruiken op de pannenbakkerij van Jan van Overmeer. Hieruit: Cunera Jans (in 1678 verm. dorpsgerecht Breukelen i.v.m. estimatie van een huis).

e)    Arijen, ged. Zuilen 1657, overl. voor 1711

3. Lysbeth Jans, tr. 1e Cornelis Claes, tr. 2e in 1649 Willem Jonass, rk, geb. in 1621 (volgens not.acte, huw. Voorwaarden 24-08-1649 dan 28 jaar). Manuaal 1619/1659 Huis Zuilen, ca. 1650: ‘Cornelis Claes op de Kickworp tot Zuijlen, nu Willem Jonas als getrout hebben de weduwe’. Willem Jonas op de Kijkworp wordt verm. in (archief Domkapittel 216, 3651): Rekeningen van Lekdijksrenten ten lasten van de geerfden, 1652: Willem Jonas, 4 morgen. Ook verm. not.acte 23-03-1650 wegens koop turfwinning van Jan Claes. Lysbeth Jans verzorgt in maart 1678 de boedel en de eerste opvang van de kinderen van Frans Jacobsz (broer van Cornelis Jacobs Coninck) en Grietje Meesen, na het overlijden van Grietje. In april van datzelfde jaar nam de diakonie de zorg en het onderbrengen van de nagelaten kinderen over.

Uit eerste huwelijk:

  1. bij huw.voorwaarden in 1649 vermeld dat er een onmondig kind is.

Uit het tweede huwelijk:

b)   Jonas Willems van de Worp, geboren omstreeks 1652, tr. Annichje van Oostweert (zie hiervoor). (76, 222, erfpachten): 1678: Jonas Willemsz 'is d' eerste besitter': ‘een stukje erf en gront staende en gelegen onder de gerechte van Zuijlen aande Vecht daer een huijse opgestaen heeft (..) van outs genaemt de Kijckworp’.

4. Huybert Janss van Zuylen, geb. ca. 1610, tichelaar aan de Rodebrug (o.a. verm. 31-03-1647, 25-4-1665 en 20-01-1666), begr. inschrijving Utrecht 1 okt. 1666: Huybert Jans van Zuijlen, bij Anth. Gasthuis, laat na vrouw en onmondige kinderen, publiquelijck vergevoerd nae Zuijlen, 8 dragers', tr. 1e Adriana van Eck, dr. van Meerten Geerlofs, tr. 2e Claertgen Meertens van Eyck (in 1669 57 jaar), begr. Utrecht 2 dec. 1672, eveneens dochter van Meerten Geerlofs. Huijbert kan schrijven, tekent Huybert Janssen van Suylen, testament d.d. 13-02-1663 voor notaris NN. Noordyck, ook verm. als overl. 02-01-1669 en 10-8-1674, wordt in 1653 (woonde toen bij St. Ant.Gasthuis) verm. als momboir voor de nagelaten kinderen van Huybert Peterse van Schalckwijk en Anna Wouters Mostart (zij werd als wed. 25 april 1653 te Utrecht begr., mog. een dr. van Wouter Willems Mostaert in 1643 te Zuilen), had contacten met Nicolaes Jacobss van Meenen, Peter Egbertss van Wenstveen en Jan Goyertss van der Horst (allen tichelaars). Verm. not. acte 20 jan. 1666:, Huijbert Jans van Suijlen, tichelaer aan de Rodebrugge, gehuwd met Clara van Eyck, wed. van Adriana van Eck.

Hieruit:

a)   Hendrick, ged. Utrecht 10 juni 1632

b)   Meerten Huybertss, verm. 10-8-1674

b)    Merrichje Huyberts van Zuylen, Maria van Zuylen, verm. 17-07-1668 als j.d. 10-8-1674 Mariegen Huyberts van Zuylen, kan schrijven: tekent 'Maria van Zuylen']

c)    waarsch: Aeltjgen, ged. Utrecht 18 maart 1647, dr. van Huybert Janssen en Aeltgen Meertens, buiten de Weerdpoort

d)    mog.: Jacob Huijbertssen, tr. 1661 als j.m. van Zuilen met Jannigje Joris, j.d. van Woerden

5. Jan Jansz van Suijlen / De Vries, geb. ca. 1610, overl. okt. 1679, zwager van Jan Frans, kan schrijven, tichelaar tot Zuilen (tot 1648, daarna in de Weerd) draagt (erfpachten huis Zuilen (76, 222), pag. 38, (4 dec. 1647) de erfpacht op de grond waar de tichelarij ten zuiden van het latere huis Diedrichsteijn op stond over aan zijn zwager Jan Frans (Jan Jans timmerman). Ook zo verm. in erfpachtbeschr. (76, inv. 202): kopie van erfpachtbrief (kopie in 1647 afgegeven 'ten tijde als Jan Jans tot Suijlen versocht dat Jan Jans Timmerman sijne swager worden verlijdt') m.b.t. aangegane erfpacht op 18 dec. 1612: 'Jan Jans, bij content van Floris Claesz, een erfland 14 roeden bij 10 a 12 roeden, suijdwaarts Claes Jans, noordwaarts Thonis Joostens'. Daarna meester tichelaar aan de Rodebrug, onder andere vermeld in juli 1679, eigenaar van een tichelarij aldaar (08-03-1670: verwijzing naar schuldbekentenis d.d. 04-10-1662 vanwege lening voor betaling van de helft van een koopsom van een tichelary en hof), overl. voor 6-4-1681, als lidm. N.H. kerk Utrecht in 1662 verm. ('buiten de Weerd'), ook verm. 21-08-1668, 26-11-1679, 28-4-1680, 6-4-1681, tr. Trijntgen Wijgerts (Catharina Wyers), verm. 6-4-1681, overl. ca. 1683, zelfde als Jan Janss de Vries, en Trijntje Weyers [kan tekenen: Jan Jansz de Vries, Trijntje wordt in 1682 verm. met de fam.naam De Vries (diakonie Zuilen inv.nr.749. 71),  Jan tekent not. akte in 1659 met 'Jan Jans van Zuijlen', pas in 1668 draagt Jan de naam 'De Vries' voor het eerst. Jan Jansen de Vries wordt op 26-11-1679 verm. als voogd voor de kinderen van Jan Joosten van de Bilt, meester backer in de Weert, wed. van Jannigien Hendriksen van Boekholt. Jan Jans van Suijlen is ook voogd voor de kinderen van een dochter van Elias Willems Schijff, pottenbakker aan de Rodebrug. Verwijzingen: schuldbekentenis d.d. 4-10-1662 voor notaris W. van der Houve. Ook not. 31 juli 1659: 'Harmen Claes van Ghijsweert, Cornelis van Zuijlen  en Jan Jans van Zuijlen (kan schrijven), allen wonende int gerecht van hogenoort'. Catharina Wyers, wed. van Jan Janss de Vries verschijnt op 21 okt. 1679 voor de momboirkamer te Utrecht waar haar zonen Jan en Govert tot voogden over hun onmondige broers worden benoemd.

In maart 1682 wordt Bartelomeaus Fransz (zoon van Frans Jacobs, broer van Cornelis Jacobs Coninck en Grietje Meesen) door de diakonie van Zuilen voor de duur van een jaar ‘besteed' aan Trijntje Wijers, wed. van Jan Jans de Vriesvoor het werk op de pannebakkerij die zij samen met haar zonen runt aan de Rodebrug (ten westen van Utrecht en enkele kilometers van Zuilen). Voor het levensonderhoud van het kind ontvangt Trijntje Wijers van de diakonie 22 gulden3. De overeenkomst wordt namens zijn moeder aangegaan door Johannes de Vries, zoon van Trijntje en wordt op 2 maart 1683, 1 april 1684, 3 aug. 1685 en 1 februari 1687 door Johannes de Vries verlengd, de laatste keer tot 1 april 1689. Johannes de Vries stelt Bartelomeaus Frans later in zijn testament gelijk aan de kinderen van zijn broer.

Hieruit:

a)    Joannes: ged. Maarssen 22 mei 1636 (vader: Jan Janz. van Zuilen).

b)    Joannes, ged. Utrecht 26 april 1640 (ouders: Jan Jansz van Suijlen en Trijntgen Wijgerts, wonen te Zuilen). Mog. begr. Utr. 22 mei 1654 (kind van Jan de Vries, bij 't Antonigasthuijs, laat na vader en moeder)

c)    Govert, ged. 16 jan. 1648 te Utrecht, kind van Jan Jans, getr. met Trijntgen Jans, wonen 'tot Zuilen'. Mog. begr. Utrecht 28 mei 1655 (kind van Jan Jans de Vries, bij 't Antonigasthuijs, laat na vader en moeder.

d)    Elias, ged. Utrecht (Ant.Gasth.) aug. 1651 (ouders: Jan Jans en Trijntgen Wijers). Mog. begr. Utrecht 4 juni 1653 (kind van Jan Jansen van Zuijlen in de Hoochlantsesteeg, laet na vader en moeder)

e)    Johannes, ged. Utrecht (Jacobikerk) 24 mei 1655 (ouders: Jan Jans en Trijntjen Jans, wonen Corte Louwerstraat)

f)    Govert, ged. Utrecht (Jacobiker) 30 aug. 1656 (ouders: Jan Jans en Trijntjen Jans, wonen Corte Louwerstraat), overl. 1702, fourier

g)    Elias, ged. Utrecht (Ant.Gasth., 5-227.) 1657 (ouders: Jan Jans en Trijntgen Wijerts)

h)    Elias, ged. Utrecht (Ant.Gasth.) 9 aug. 1659, tegelbakker aan de Rodebrug te Utrecht, tr. Dickgen Cornelis van Oostveen. 27-07-1685 was Elias de Vries meerderjarige jongman. Had in oktober 1684 in een herberg te Middelburg wegens 'verteringen' 24,- en 14 st. schuld aan de herbergier en heeft toen een loden vaatje met 5 pond thee ‘ter verzekeringe’ achtergelaten.

i)     Wijert de Vries

                         

 

C. Annichgen Barten / Bart Jansdr. (haar zusters en hun kinderen worden verm. in not.acte d.d. 12 jan. 1673; U070a005), geb. ca. 1595, tr. 1e (als Annichen Bart Jansdr., woont dan te Maerssen) te Utrecht (gerecht) 27 nov. 1619 Marten Lucas Martensoon, tr. 2e Utrecht (gerecht) 23 okt. 1652 Claes Jacobss van Meenen (Claes Jacob Fransz. van Meenen, wed.), geb. ca. 1600, tichelaar aan de Rodebrug bij Utrecht (Nicolaes Jacobss van Meenen,  tichelaer te Hoogelande, aen de Roodebrugge), overl. voor 1669, zoon van Jacob Fransz. van Menen. Annichgen Barten wordt op 3-2-1669 en 27-7-1669 verm. als wed. van Claes Jacobss van Meenen, wonende aan de Rodebrug.

Annichgen woont bij haar huwelijk in 1652 bij de Rodebrug. Na het overlijden van haar tweede echtgenoot wordt de scheiding van de boedel geregeld bij notariele acte op 3 febr. 1669 (not. J. Deurkant, U070a003). Annichgen Barten verkrijgt daarbij het eigendom van een huisje te Maarssen aan de oostzijde van de Vecht. In 1669 verkrijgt Annichgen van het Hof van Utrecht octrooi om te mogen testeren, en verleent op 27 juli 1669 (not. A. Houtman, U075a001) een legaat ten behoeve van haar stiefzonen Jan en Peter Claesz van Meenen. Zij verblijft dan ‘sieckelijk van lichaam en te bedde liggende’ in het huis van haar zuster Eechgen Barten op de Lege Noort.

Claes Jacobsz. van Meenen tr. 1e Utrecht 19 juni 1630 Stijntgen Jansdr. van Schaijck (publ.boek) (in 1636: Ida Jansdr. van Schayck, in 1652 verm. als wed. van Christina Jans van Schaijck), een dr. van Jan Adriaensz. van Schayck (die dan eigenaar is van een tichelarij te Zuilen). Claes wordt verm. 21 September 1636 als ‘burger te Utrecht 'aen de Rode Brugge', voor hem zelf en uit naam van Maychgen Adriaensdr van Schayck, weduwe van Peter Evertsz., mede wonende te Zuilen.

Claes Jacobs van Meenen wordt tevens verm. 14-11-1654 bij de huwelijkse voorwaarden van zijn broer Frans Jacobss van Meenen.

Ook (not.arch. 25-4-1665): Nicolaes Jacobss van Meenen samen met Huybert Janss van Zuylen (zie hiervoor) wegens een overeenkomst met schouten en gerechten van Pylsweerdt en den Nieuwenoort over over vernieuwing en onderhoud van schut tussen de Nieuwenoort en het land van het bylhouwersgilde en bouw van een dam. Ook: 16-07-1667 en 10-5-1668: codicil resp. prelegaten aan zonen Johan Claess van Meenen en Pieter Claess van Meenen.

Kinderen van Claes Jacobs van Meenen:

1. Jacob van Meenen, verm. 28-07-1666, herbergier buyten de Weertpoort, aende Rodebrugge, tr. Gerrichgen Adriaens van Schayck. Jacob heeft als broer Jan Claesz van Meenen, en zwager Willem Adriaensz van Schayck

2. Johan Claess van Meenen, verm. 16-07-1667 (ontvangt dan van zijn vader een codicil m.b.t. een tichelarye, huysinge en panhuys aan de westzijde van de Vecht, aan de Leege Noord), overl. voor 1673, tr. Hillichgen Adriaens van Montfoort, dr. van Adriaen Jansz van Montfoort.

3. Pieter Claess van Meenen, overl. voor 1676, verm. 16-07-1667 (ontvangt dan van zijn vader een codicil m.b.t. een huysinge, tichelarye en panhuys aan de westzijde van de Vecht,aan de Leege Noord), tr. Annigien Philipen ( en 26-2-1677). Pieter Claes wordt ook Peter Jacobs van Meenen genoemd (zijn wed. wordt bij naam verm. 03-02-1669, 27-07-1669, 9-12-1676 en 25-10-1689: wed. Peter Jacobss van Meenen, verm. bij verkoop land in de Weerd aan de Vecht).

4. Jannechgen Claes van Meenen, geb, ca 1628, tr. 1652 Gijsbert Gijsberts van Zuijlen, zn. van Gijsbert Andriesz en Elisabeth Gijsberts (wonen te Zuilen). Frans Jacobs van Meenen wordt in not. acte juli 1652 (not. Zwaerdecroon) verm. als oom en Claes Jacobs van Meenen als vader van Jannechgen Claes van Meenen. Cornelis Swanick wordt dan verm. als haar behuwd oom.

 

 

D. Eechgen Barten (haar zusters en hun kinderen worden verm. in not.acte d.d. 12 jan. 1673; U070a005), overl. voor 1674, tr. Cornelis (van Maersen). Eechgen Barten woont in 1669 te Utrecht op de Lege Noort, en haar zuster die dan ziek is verblijft dan bij haar thuis (not. acte d.d. 27 juli 1669, U075a001).

Uit dit huwelijk:

1. Adriaen Corneliss van Maersen, overl. na 1674 en voor 03-05-1678, tr. Willempgen Pauwels, woont in 1678 te Utrecht, overl. na 1684. Willempgen wordt op 03-05-1678 vermeld vanwege een overeenkomst wegens de verzorging van de zusters Elisabeth en Jannichje Cornelis van Maersen.

2. Lysbeth Cornelis, Lysbeth Cornelis van Maersen, woont in 1678 te Utrecht, wordt op 27-03-1673 verm. als voormalig dienstmaagd van Adriaen van Buytendijk en Deliana Houwert; ook verm. 03-05-1678, samen met de wed. van haar zwager Adriaen en haar zus Jannichje.

3. Jannichgen Cornelis, Jannichje Cornelis van Maersen, verm. 03-05-1678, woont dan te Utrecht; Jannichien Cornelis van Maersen donateert op 26-09-1684 50 gulden aan haar schoonzuster Willempie Paulus.

4. mogelijk: Hendrick Corneliss van Maerssen, schipper op 't cleyne veer tusschen Utrecht ende Amsterdam [1629, 1641], woont in de Weerd bij Utrecht, tr. Geurtgen Goorts. Echtpaar wordt verm. not. Akte 8 okt. 1641 wegens testament. Hendrik wordt ook vermeld in een not.akte d.d. 19 febr. 1629 waarbij hij vanwege zijn ziekte een codicil verstrekt.

 

De oorsprong van de familienaam (De) Koning:

de tegelbakkerij en hofstede Coningh David?

In 1637 verkoopt Jan Jacobsz van Werckhoven aan Pieter Haring, koopman te Amsterdam, voor 1200 gulden een huis met hof en boomgaard aan het Sandpad aan de Vecht en gelegen naast zijn tegelbakkerij. Daartoe wordt een deel van de kavel, waarop de tegel- of pannenbakkerij staat, op 8 febr. 1637 op verzoek van Jan Jacobs van Werckhoven van zijn leen afgesplitst en beleend aan Pieter Haring. Dit afgesplitste deel van het leen, met daarop het huis, is nadien als buitenplaats gaan fungeren, en droeg de naam ‘De Koning Davidt’. Die naam van het huis werd al in 1676 vermeld (monsterrollen van dijkwachtplichtigen: heer Jacomo, joodt, in de koninck David), en ook in 1690 (logiesgeld, gerechtsarchief Maarssen) en in 1705 in de protocollen van het gerecht Maarssen is terug te vinden. Deze in de 18de eeuw herbouwde buitenplaats droeg aan het eind van de 18de eeuw de naam Vechtwens (later: Nieuwhoop).

Hoogstwaarschijnlijk heeft Jan dit huis voor 1637 zelf heeft laten bouwen, daarbij voor de stenen gebruik makend van de oven op diens tegelbakkerij. Dit is mede aannemelijk omdat twee van zijn zonen later worden vermeld als zijnde metselaar. Dat het huis (De Koning) nieuw was, en niet een van de twee oorspronkelijke huisjes op het leen van Jan Jacobs blijkt ook uit de afbeelding van het huis op een gravure van de Vechtoever uit ca. 1650 (zie hierna) waarop een hofstede met halsgevel is te zien. Ook het in 1637 door Pieter Haring betaalde bedrag (1200 gulden) maakt duidelijk dat het hier niet om een eenvoudig arbeidershuisje ging. Pieter was een welgestelde inwoner van Amsterdam. In die tijd werden veel hofsteden en landhuizen langs de Vecht gekocht of gebouwd door welgestelde kooplieden uit Amsterdam.

 

Ditzelfde huis wordt in 1645 door Pieter Haring doorverkocht aan de Portugesche jood David Cardose. En op 26 juni 1645 komt David Cardose daarvoor bij het Utrechtse Hof de leeneed afleggen. Dat is heel bijzonder, want in die tijd mochten joden zich niet in Utrecht vestigen en werden hen op vele andere gebieden grote beperkingen opgelegd. Het is daarom aannemelijk dat het vestigen van iemand van Joodse afkomst in het dorp Maarssen tot veel ophef zal hebben geleid, met name onder de kerkelijke gemeente van Maarssen.

Op een gravure van de Vechtoever gedateerd tussen 1650 en 1653 wordt het huis met de naastgelegen tegelbakkerij aangeduid als ‘Propheet David’. Over dat onderdeel van de gravure schrijft het jaarboek van het genootschap Nifterlake ('Een gezicht op de oostelijk Vechtoever uit de 17e eeuw'): 'Naast Huis ten Bosch is de "Propheet David" gelegen, naar wij aannemen in die tijd een steen- of pannebakkerij. Het bijbehorende huis bezit een tot halsgevel opgetrokken middenrisaliet in het schilddak, zo te zien rustend op twee zuilen’.

Aannemelijk is dat ook de tegelbakkerij oorspronkelijk De Propheet zal hebben geheten. De toevoeging Davidt op de gravure uit ca. 1652 heeft dan waarschijnlijk te maken met David Cordosa, die in 1645 het naastgelegen huis koopt. Waarna het huis, mogelijk door de dorpelingen ‘de koning David’ werd genoemd? De bijbelse David was immers een koning, en niet zozeer bekend als profeet. Maar mogelijk heeft het indertijd nieuw gebouwde huis welke was gebouwd op de grond die tot de tegelbakkerij De Propheet als tegenhanger de naam De Coninck gekregen. En is er vanwege de nieuwe bewoner, door de omgeving, de naam Davidt aan toegevoegd. De combinatie David Cardosa en het door hem bewoonde huis Coninck Davidt kan daarom geen toeval zijn.

Het is echter niet uit te sluiten dat juist de tegelbakkerij oorspronkelijk al bekend stond als ‘De Koning’ en dat het huis na verkoop aan David Cardose de naam ‘De Koning David’ heeft gekregen. Terwijl het huis oorspronkelijk ‘de Propheet’ was geheten.

Het voorgaande doet in elk geval vermoeden dat de tegelbakkerij waar Jan Jacobs van Werckhoven en zijn zoon Jacob Jans van Werckhoven eigenaar van waren en werkte, tezamen met het naastgelegen huis, vanaf het midden van de 17de eeuw ter plaatse mede als De Propheet / De Koning (Davidt) werd aangeduid. De tegelbakkerij behoorde immers oorspronkelijk tot het voornoemde huis welke later als buitenplaats voor Joodse kooplieden uit Amsterdam is gaan fungeren.

Opvallend is tevens dat de hiervoor genoemde afsplitsing van het leen ruim honderd jaar later nog steeds bij verkoop in de akten werd vermeld, waarbij dus blijkbaar de verbintenis met de tegelbakkerij wordt benadrukt. Dit blijkt ondermeer in een notariële akte gedateerd 3 september 1755 waarin de Koning David wordt genoemd als ‘hofstede met erf en boomgaard, gelegen aan het Zandpad, waar zuidwaarts de nakomelingen van Jan Jacobsz van Werkhoven, tichelaar, naastgelegen zijn’, en het goed wordt dan omschreven als ‘een gedeelte van een tichelwerkpakhuis en 2 woningen’ en is leenroerig aan de staten van Utrecht. Uit een notariële akte van 25 nov. 1756 blijkt tevens dat de sloot op de Vecht tussen de zuidmuur van de Koning David en de tegelbakkerij behoorde tot de tegelbakkerij waarvan de grond vanuit de Vecht strekte tot de oostwaarts gelegen sloot.

Het lijkt er dus op dat de stamvader van de familie (De) Koning, Cornelis Jacobsz 'genaempt Coninck’, zijn bijnaam te danken heeft aan deze buitenplaats en/of deze tegelbakkerij in Maarssen? Het is zelfs aannemelijk dat Cornelis op jonge leeftijd ook zelf, samen met zijn ouders, ooms en grootouders, in ‘De Koning David’ heeft gewoond. Dit huis was immers nieuw gebouwd op de plaats van een van de twee woningen die Jan Jacobs van Werckhoven in 1629 tezamen met de tegelbakkerij had gekocht: ‘tichelwerk, panhuijs en twee woningen’. Na de verkoop van het huis in 1637 word het goed in hypotheekakten en bij de overdracht in 1652 daarentegen beschreven als: ’sekere huisinge, tichelwerk en panhuis’.

Mogelijk heeft de ophef over de vestiging van David Cardose, de eerste Joodse inwoner in het dorp Maarssen, er toe bijgedragen dat een of meer personen die op de naastgelegen pannen- of tegelbakkerij werkzaam waren een bijnaam kregen. Daarbij aansluitend op de opvallende naam van het betreffende huis?

We mogen tevens aannemen dat Cornelis tot de overdracht van de tegelbakkerij door de familie Van Werckhoven aan Cornelis Jans van Royen, in 1659/1660, van tijd tot tijd op deze tegel- of pannenbakkerij heeft gewerkt. En mogelijk ook daarna nog. Cornelis Jans van Rooijen wordt namelijk op 10 april 1667 in de protocollen vermeld als wonende ‘buyten Utrecht, op den Dael’ (gerecht Zuilen) en in 1668 als 'tegenwoordig wonende tot Suijlen'. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Cornelis Jans van Rooijen weliswaar eigenaar zal zijn geweest van de tegelbakkerij, maar daar niet zelf tevens als ovenmeester werkzaam zal zijn geweest. Opvallend is ook de band van de oudste leden van de familie (De) Koning met Maarssen. Zo woonde de oudste zoon van Cornelis, Jacob Cornelis Koning, te Maarssen waar hij in 1712 is overleden. Zijn dochter Sophia woonde en werkte in 1719 op bovengenoemde tegelbakkerij, en zijn dochter Jannetje wordt in 1757 vermeld in een legaat door Lodewijk Verschoof (dan eigenaar van de tegelbakkerij). Ook was de tweede echtgenote van Frans Jacobsz, de broer van Cornelis Jacobz, afkomstig van Maarssen.

Eigenaren, huurders en werkvolk van de tegelbakkerij te Maarssen

Deze tegelbakkerij (‘tichelarij’) stond op het Goed ten Bosch aan de oostzijde van de Vecht en lag ten noorden van het latere huis Luxemburg. Het Goed ten Bosch behoorde tot het Leenhof van Utrecht.

1553: Arys Proys, tichelbakker te Maarssen. Wordt op 13-06-1553 (hof van Utrecht, 239-1, 99-02) verm. als zijnde neergestoken in een herberg n.a.v. een ruzie op de kermis in Westbroek.

1618: Henrick van Groenenberch, gehuwd met Elysabet van Wykersloot, wordt op 25 juli 1618 te Utrecht in een notariele actie (notaris L. van Leeuwen) vermeld als eigenaar (en testateur) van o.a. leengoederen te Maarssen met ovens, tichelarijen en huizen. Met verwijzing naar testament d.d. 14-07-1603 voor notaris Jan Wolff; testament d.d. 16-03-1615 voor notaris L. van Leeuwen.

1628: Willem Huijgen tichelaar. Wordt verm. In protocol gerecht Maarssen 3 mei 1628, en later ook in het grafboek van de kerk van Maarssen (vermelding eigenaren van de graven): nr. 30, ‘compt aen Jelis Gijsberts, nu aen Willem Huijgen Tichelaar wonende tot Maarssen als erfgenaam, nu Jan Pieter timmerman’.

1629-1652: Jan Jacobs Tichelaer/van Werckhoven/Preijt, eigenaar 1629-1652. Jan Jacobs van Werckhoven koopt in febr. 1629 Panhuis en Tichelwerck van Cornelis Dirkz van Heemskerk (protocol gerecht Maarsen). Hij wordt op 26 jan. 1630 beleend (in opdracht van Dirk van Heemskerk) met de grond waarop de tichelarij en twee huisjes staan [leenhof Stichte lenen, 191-2, pag. 530],

1641: Merrichie Cornelis (dan wed. van Aldert Jansz, de vader Jan Elderts Verschooff), is werkzaam op deze tegelbakkerij.

1642-1644: Gerrit Arisz. van Zuijlen, geb. ca. 1610, tichelaar ‘wonende op het tichelwerk van Jan [Jacobsz.] Preit'. Gerrit Aertz (Knaep) woont vanaf 1645 met zijn gezin te Woerden.

1648-1652: Jacob Jans van Werckhoven, woont in 1648, 1649, 1652 te Maarssen, is dan tichelaar, en huurt de tegelbakkerij dan van zijn vader.

1652-: Jacob Jans van Werckhoven wordt eigenaar van de tegelbakkerij na overdracht door zijn vader.

1658: de weduwe van Jacob Jans van Werckhoven wordt in de registers van het Leenhof vermeld als eigenaresse.

1659: Dirck Jacobs van Werckhoven. Het leen gaat op 26 nov. 1659 naar hem en 'met en ten behoeve van zijn mede erfgenamen na dode van Jacob Jans van Werckhoven zijn vader zal' over.

1660-1671: Cornelis Jans van Rooijen, eigenaar. Het leen gaat op 4 febr. 1660 op hem over 'in opdracht van Dirck Jacobs van Werckhoven cum suis'.

1663-1671: Gerrit Jacobs, huurder, als tichelaar woonachtig te Maarssen (is in 1671 tichelaer aan de Rodebrugge), tr. Jannigie Huigen. Hij wordt ook verm. in een not.akte d.d. 11 aug. 1663 als 'den eersamen Gerrit Jacobs tichelaer tot Maerssen' wegens de ontvangst van een partij 'gele loot' (voor glazuur).

1671-1675: Jan Cornelis van Rooijen, eigenaar. Op 4 mei 1671 gaat het leen wegens overl. van zijn vader naar hem over.

1675-: Cornelis Johannes van Roijen, eigenaar. Het leen gaat op 2 juni 1675 naar hem over wegens overl. van zijn vader.

1675-: Jan Elderss Tichelaer (Verschoof), huurder, wordt in 1675, 1695, 1698 en 1710 verm. als meester tichelaar te Maarssen. Op 15 nov. 1692 verhuurt Anna Eyckels, wed. Johan van Royen, aan hem de tegelbakkerij. Anna hertr. Willem van Velpen die in 1681 wordt vermeld (huisgeld, gerecht Maarssen) als eigenaar van een tichelarije waarvan Jan Elderts gebruiker is.

1719: Sophia Jacobs Koning, woonde en werkte 'Op tigchelove' te Maarssen. Waarsch. ook haar andere zusters Aeltje en Jannetje, en hun vader Jacob Cornelis Koning: zij woonde allen te Maarssen. Jannetje Koning wordt in 1757 verm. wegens legaat van Lodewijk Verschoof.

1721: Jacob Aertsz, werkt op de ticheloven te Maarssen, laat op 10 nov. 1721 een kind te Maarssen begraven.

1725: Hendricus Bylevelt, enige geinstiut. erfgenaam van Cornelis Johannes van Rooijen. Op 5 mei 1725 gaat het leen naar hem over. Zijn erfgenamen laten de tegelbakkerij in 1726 bij openbare verkoping veilen

1726-: Lodewijk Verschoof (zoon van Jan Elderss Verschoof), tot 1726 huurder, en vanaf 16 okt. 1726 eigenaar. Het leen gaat op 28 oktober 1726 en 16 jan. 1751 naar hem over. Lodewijk is later ovenbaas van de steenoven te Oostwaard (de Ysvogel).

Tot 1756: Hermanus Sluys, eigenaar (meester timmerman, tr. Annetje Germelingh), vermeld wegens de verkoping ticheloven met huysingen te Maarssen (ligging: aan de Vecht, nw: Koning David). Zijn broer, Jan Sluys is terzelfdertijd eigenaar van de steenbakkerij de Ysvogel.

1769: de heer Wentzel, eigenaar. Waarschijnlijk is de tegelbakkerij rond die tijd opgeheven.

 

Verantwoording

Toen in de jaren tachtig van de vorige eeuw het stamboomonderzoek in de archieven van de hervormde kerk van Oud-Zuilen bij het jaartal 1655 (huwelijk Cornelis Jacobsz Coninck) was beland bleek het moeilijk om nog verder in het verleden te zoeken. De doop- en trouwboeken van het dorp Zuilen beginnen namelijk pas in het jaar 1652, het jaar waarin de eerste predikant in Zuilen werd aangesteld. Vrijwel alle andere stukken van de hervormde kerk en het Gerecht Zuilen beginnen pas bij een latere datum.
Bij zoektocht naar gegevens rond Jacob, de vader van Cornelis Jacobsz Coninck, zijn inmiddels een groot aantal DTB-registers en andere archiefstukken doorgenomen. Daarbij is in eerste instantie gezocht in de archieven van de Hervormde Kerk van Zuilen en het dorpsgerecht Zuilen en Zwesereng, maar ook de archieven van Woerden zijn redelijk uitvoerig onderzocht. De echtgenote van Cornelis Jacobz. de Coninck was immers afkomstig van Woerden dus er was een directe relatie met deze plaats. Daarnaast was de steenbakkersindustrie in Woerden indertijd verder ontwikkeld dan in Oud-Zuilen.
In eerste instantie is vooral gezocht naar vermeldingen van tijdgenoten die de familienaam Koning/Coninck droegen. In een later stadium is ook los van deze familienaam gezocht op patroniem en andere mogelijke combinaties betreffende het werkterrein van steen- of pannenbakker. Daartoe is eerst gezocht in de DTB's en lidmaatregisters m.b.t. de plaatsen Zuilen, Maarssen, Oudewater, Woerden, Breukelen, en Loenen a/d Vecht, plaatsen waarvan bekend is dat er in de onderzochte periode reeds een steenbakkersindustrie aanwezig was. En uiteraard is ook gezocht in de doop- en trouwregisters van Utrecht, een stad die vlakbij Oud-Zuilen lag en waarvan bekend was dat dat veel Zuilenaren daar hun kinderen lieten dopen. Hiertoe zijn de klappers op dopen en trouwen tot 1650 volledig doorgenomen.

Van het gerecht Zuilen alsmede de herv. kerk van Zuilen zijn vervolgens alle archiefstukken doorgenomen welke betrekking hebben op de 17de eeuw. Verder zijn in het archief van Slot Zuylen alle stukken uit de 17de eeuw onderzocht. Laatstgenoemd archief bevat zeer veel gegevens van inwoners van het dorp Zuilen vanaf het begin van de 17e eeuw. Alle gevonden gegevens tezamen hebben een goed overzicht opgeleverd omtrent de bewoners van het dorpje Zuilen tussen 1575 en 1675. Dit overzicht is sinds kort ook op internet geplaatst zodat ook anderen van deze gegevens gebruik kunnen maken.

Tevens zijn recent de oudste stukken van het dorpsgerecht Maarssen uitvoerig doorgenomen alsmede het register van lenen van het Sticht Utrecht. Hieruit kwam steeds de naam Jacob Jansz van Werckhooven naar voren, een tegel- of pannenbakker die zowel in Maarssen als Zuilen heeft gewoond. Alle inmiddels over hem en zijn aanverwanten gevonden gegevens, zoals deze ook volledig op deze pagina zijn weergegeven, zijn in hun onderlinge samenhang voldoende om de conclusie te trekken dat hij de vader is van Cornelis Jacobsz de Coninck. Hieronder is puntsgewijs de verantwoording beschreven voor deze conclusie:

1.    Zoals hiervoor al is geconstateerd heeft Cornelis Jacobs Coninck op jonge leeftijd in Zuilen gewoond en is hij daar mogelijk ook geboren. Bij zijn huwelijk wordt immers aangetekend dat hij 'jongman' van Zuilen was. Ook is duidelijk geworden dat hij daar van jongs af aan in de klei-industrie werkzaam was. Uit de inventarisatie van de inwoners van Zuilen in de eerste helft van de 17de eeuw (klik hier) blijkt reeds dat Jacob Jansz van Werckhoven de enige persoon is die als mogelijke vader van Cornelis in aanmerking komt. Hij woonde te Zuilen (in elk geval tot 1639), had daar meerdere kinderen, en hij was daar werkzaam op een van de steen- of pannenbakkerijen. Weliswaar woonde er in 1629 ook een Jacob Willemsz te Zuilen, die in dat jaar te Utrecht een zoon met de naam Cornelis laat dopen, maar van hem zijn geen andere vermeldingen, laat staan andere kinderen gevonden. Waarschijnlijk heeft deze Jacob Willemsz slechts tijdelijk in Zuilen verbleven.

2.    Cornelis behoorde tot hetzelfde milieu als Jacob Jansz van Werckhoven, en diens vader en de andere leden van de familie van zijn echtgenote: zij waren allen voor langere tijd als eigenaar of huurder/panovenbaas aan een specifieke steen- of pannenbakkerij verbonden. Daarmee onderscheiden zij zich van het normale werkvolk in deze klei-industrie, dat doorgaans op seizoenbasis werkzaam was, en vaak van pannenbakkerij wisselenden.

3.    Er is in de onderhavige periode nog geen sprake van een vaste familienaam. Zo werd de vader van Jacob, Jan Jacobs van Werckhoven, tevens vermeld als ‘Jan Jacobs Preit, tichelaar te Maarssen’ en ‘Jan als Jacobs Proeyt’ (not.acte 1 febr. 1640). En in de archieven van Huis Zuilen wordt hij gewoon vermeld als ‘Jan Jacobs, Tichelaer tot Maerssen’. Het lijkt er in elk geval op dat de naam ‘Van Werckhooven’ nog niet als vaste familienaam werd gebruikt. Want ook de twee broers van Jacob, Cornelis en Adriaen, worden in sommige akten zonder de toenaam Van Werckhoven genoemd. Ditzelfde geldt voor Jannighen Jacobs en Aertje Jacobs, de dochters van Jacob Janss van Werckhoven, en voor zijn zoon Dirck Jacobss.

4.    Uiteraard vormen ook de namen die voorkwamen in de eerste generaties van de familie Koning vormen een aanwijzing. Naamgeving vond in die tijd vrijwel uitsluitend plaats middels vernoeming naar directe familieleden, waarbij doorgaans eerst vernoemingen naar de grootouders van het kind plaatsvond en bij verdere kinderen vernoeming naar ooms en tantes. Met het aanwijzen van Jacob Janss van Werckhoven als vader van Cornelis Jacobs Coninck worden alle namen verklaard waarvan de reden tot vernoeming voorheen nog onbekend was: Aeltje (3 kleinkinderen van Cornelis, vernoemd naar Aeltje Jans), Jannigje (kleinkind van Cornelis, vernoemd naar diens zuster), Frans (broer van Cornelis), Dirk (zoon van Cornelis, vernoemd naar diens broer), Cornelis (vernoemd naar een oom, broer of stiefbroer van Jacob), Gerrit (kleinzoon van Cornelis, vernoemd naar diens -waarschijnlijke- broer).

5.    Binnen het onderzoek was al eerder opgevallen dat 4 kleinkinderen van Cornelis (allen zonen van Dirck Cornelisz Koning) in het begin van de 18de eeuw trouwen met een vrouw uit Amsterdam. Dit maakt het aannemelijk dat er in die tijd  contacten waren met een of meer personen die in deze stad woonachtig waren. Het ligt voor de hand dat het daarbij ging om de kinderen van Jannigje Jacobs of Aertje Jacobs, beide zusters van Cornelis die zich in Amsterdam hadden gevestigd. Of de twee dochters van Dirck Jacobs (broer van Cornelis) die in de eerste helft van de 18de eeuw in Amsterdam woonden. Opmerkelijk is dat Jannigje Jacobs tezamen met haar echtgenoot Claes Geurtsz Smal, schippersknecht op het Utrechtse veer, in de tweede helft van de 17de eeuw woonachtig was in de Utrechtse Dwarsstraat in het deel van die straat tussen de Utrechtse straat en de Amstel. Zo'n 60 jaar later woont namelijk een van de zonen van Dirck die zich dan met zijn gezin in Amsterdam vestigt in hetzelfde deel van deze straat!

6.  Er is sprake van een rechtstreekse familierelatie tussen Jacob Jansz van Werckhoven en de familie (de) Koning. Jacob Jansz van Werckhoven en Bartholomeus/Mees Jansz van Goch (de schoonvader van Frans Jacobz, broer van de stamvader van de familie (de) Koning, zijn neven van elkaar. Jan Jacobs van Werckhoven heeft namelijk nog een andere zuster, waarvan de naam vooralsnog onbekend is: Cornelis Hermansz (Preit), zwager van Jan Jacobsz van Werckhooven, wordt namelijk ook op 12 aug. 1615 verm. in het register van lenen van het Huis Zuilen (inv.nr. 203) bij een overdracht door zijn zwager Jan (Gijsbertz) van Goch.

7.    De nagelaten kinderen van Frans Jacobs, de broer van Cornelis, worden na het overlijden van zijn weduwe allemaal opeenvolgend opgevangen door Lijsbeth Jans (zij verzorgt de eerste opvang zonder verzoek van de kerkenraad), Catharina de Vries (dan wed. van Jan Jans van Zuijlen), Hendrik Jans de Jonge, en Trijntje Jans (schoonzuster van Marritje Jans) allen (klein)kinderen van Jan Jans Ticchelmaker en Marricghen Barten. Dit alles maakt het aannemelijk dat er sprake is van een directe familierelatie met deze personen. Uit een notariele akte (d.d. 12 jan. 1674, U070a005) blijkt dat het gaat om neven en nichten van Jacob Jansz van Werckhoven. Van deze familie droegen meerdere leden de (familie)naam Van Zuijlen. Ook alle vier de kinderen van Frans Jacobsz droegen op meerderjarige leeftijd de naam 'Van Zuylen'.  

8.    Een ander kind van Jan Jans Ticchelmaker en Marricghen Barten is Aeltje Jans. Zij runde samen met haar man, Jan Frans alias Jan Jans, meerdere pannenbakkerijen te Zuilen. Ook na het overlijden van haar man blijft zij samen met haar zonen verbonden aan een van deze pannenbakkerijen, namelijk die naast het huis Diedrichsteijn aan de noordzijde van het dorp. Van Cornelis is bekend dat hij (dan wel in elk geval zijn zonen) eveneens op deze pannenbakkerij werkzaam was, of in elk geval nauw samenwerkte met de kinderen van Aeltje. Zo wordt Cornelis in 1688 samen met Gijbert van Breukelen (zoon Aeltje Jans) vermeld in een overeenkomst betreffende de afgrift van klei. Waarschijnlijk werd de pannenbakkerij door Aeltje aan Cornelis onderverhuurd of was hij daar voor Aeltje als 'panovenbaas' werkzaam. Ook zijn zoon Dirk was op deze pannenbakkerij werkzaam en kocht deze in 1721 (en bleef daarop tot het eind van de 18de eeuw in handen van de familie Koning). Opvallend is ook dat drie kinderen van Cornelis direct na het overlijden van Aeltje Jans in 1701 elk hun daaropvolgend geboren dochters naar Aeltje Jans vernoemen. Ook trouwen drie (klein)kinderen van Aeltje met drie zonen van Cornelis (Gerrit, Johannes en Dirk). 

9.    De voorkinderen van Marrigje Cornelis van Harmelen (zij hertr. In 1641 Jan Jacobs, een zoon van Jacob Jansz van Werckhoven) zijn Cornelis Elderts Verschooff en Jan Elderts Verschooff. Beiden worden in 1695 samen met Cornelis Jacobsz Coninck vermeld in een verklaring over de toestand van een tegelbakkerij in 1647 te Zuilen. Jan Elderts Verschoof is vanaf 1675 tot 1710 als meester tichelaar werkzaam op de tegelbakkerij te Maarssen. Zijn zoon Lodewijk verschooff koopt in 1726 van de erfgenamen van Cornelis van Rooijen deze tegelbakkerij. In zijn testament legt hij vast dat een kleindochter van Cornelis het recht krijgt op een legaat.

10   De oudste zoon van Cornelis, Jacob Cornelisz Koning, woonde te Maarssen en tenminste een van zijn dochters was werkzaam op dezelfde pannenbakkerij van (de nazaten van) Jacob Janss van Werckhoven. Meerdere van zijn kinderen zijn in Maarssen blijven wonen, en waarschijnlijk waren ze allemaal op deze pannenbakkerij werkzaam. Ook Frans Jacobsz, de broer van Cornelis, huwde in 1661 met een vrouw die afkomstig was van Maarssen.

11. Het gegeven dat bij het huwelijk van Cornelis in 1655 diens broer Jan Jacobs getuige was maakt het aannemelijk dat hun ouders niet in staat waren om bij het huwelijk van hun zoon aanwezig te zijn. Of dat zij beiden toen al waren overleden. Hoewel van Jacob Jans van Werckhoven niet met zekerheid kan worden vastgesteld of hij bij het huwelijk van Cornelis nog in leven was (de uiteindelijke afwikkeling van zijn nalatenschap wordt pas begin 1658 afgerond) kan uit het grafboek van de kerk van Maarssen worden afgeleid dat zijn vrouw toen al was overleden. In dit grafboek staat namelijk opgetekend dat Jacob in 1653 (datum op te maken uit een vergelijking van het handschrift) eigenaar was van een graf in deze kerk.

12. Uiteraard is in de archieven m.b.t. Zuilen en Maarssen ook uitvoerig gezocht naar Jan jacobs, die als broer van Cornelis in 1655 bij diens huwelijk als getuige optreedt. Uiteindelijk is gebleken dat de enige die hiervoor in aanmerking komt Jan Jacobs is die in 1641 als jongman van Maarssen aldaar trouwt met Merrigje Cornelis, wed. van Allert/Elbert Verschoof (tichelaar te Zuilen). In het lidmaatregister van de herv.kerk van Maarssen staat een inschrijving van ene Merrigje Cornelis die enige jaren daarvoor op de pannenbakkerij van Jan jacobs Preit (Van Werckhove), de waarschijnlijke grootvader van Jan Jacobs, woonachtig was. Mogelijk is Merrigje hier na het overlijden van haar eerste man gaan werken, en is daarop de relatie met Jan Jacobs toe ontstaan?

13. Uit de afwikkeling van de nalatenschap van Jacob in 1657/1658 ('mondige en onmondige kinderen'), en het gegeven dat Dirck Jacobss van Werckhoven in 1659/1660 het leen waarop de pannenbakkerij 'cum suis' ontvangt resp. overdraagt, valt af te leiden dat Jacob tenminste 4 kinderen had die in deze jaren nog in leven waren.

14. Cornelis behoorde, in elk geval sinds zijn huwelijk in 1655, tot de Hervormde Kerk. Hoewel Jacob Janss van Werckhoven waarschijnlijk Katholiek is gebleven lieten zijn beide broers daarentegen wel kinderen dopen in de Hervormde kerk van Utrecht. Dit geldt ook voor Dirck Jacobs van Werckhoven, een zoon van Jacob. En ook Jannigje, de oudste dochter van Jacob, behoorde tot de Hervormde kerk (o.a. lidmaatreg. Maarssen), en waarschijnlijk geldt dit ook voor de  schoonvader van Jacob, Dirk Augustijns: diens broer Jacob Augustijns was secretaris van de Hervormde Kerk van Maarssen.

15. Het vroegtijdig overlijden (ca. 1670) van Dirck Jacobsz van Werckhoven en een naar hem vernoemde en op jonge leeftijd overleden zoon (geb. 1665) van Cornelis Jacobs Koning biedt een verklaring voor de bijzondere wijze waarop nadien zowel Cornelis als alle vijf zijn zonen hun kinderen hebben vernoemd naar verwanten. Een indertijd vrijwel altijd toegepaste regel voor naamgeving was dat ouders hun eerste kinderen altijd de naam van een van de grootouders gaven. En dat als de grootouders allemaal aan de beurt waren geweest de daaropvolgende kinderen ook naar andere verwanten werden vernoemd. Heel opvallend is daarom dat zowel Cornelis als diens echtgenote Gijsbertje pas na hun overlijden bij de dopen van hun kleinkinderen zijn vernoemd. En dat die regel door al hun vijf zonen werd toegepast. Ook de andere kinderen van deze tweede generatie zijn steeds vernoemd verwanten en bekenden waarvan kon worden vastgesteld dat deze toen reeds waren overleden. Waarschijnlijk was er bij Cornelis en diens kinderen een zeker bijgeloof ontstaan nadat zowel diens broer als zijn naar hem vernoemde zoon op jonge leeftijd, mogelijk onverwachts, zijn komen te overlijden.

16. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de familienaam (de) Koning zijn oorsprong vindt in de naam van de pannenbakkerij (of de naastgelegen hofstede) te Maarssen, is deze mogelijkheid op zichzelf wel een aanwijzing. Aangetoond is namelijk dat de familie Jacob Janss van Werckhoven in elk geval tot 1637 de hofstede De Koning Davidt in bezit heeft gehad, en deze vanaf 1629 heeft bewoond.



Terug







[i] Begraafregister Amsterdam 12-02-1670 (leidsekerkhof, inv.nr. 1227 p154 en p155): ‘Jannetie Jackobs inde uijterse dwarsstraat aande noort sij van de uijterse straat na 5 kinderen’. Tevens verm. in begraafregister van de weeskamer (5004): ‘den 6 dec. 1670 bewijs gedaan’. Het overlijden van Jannigje wordt in hetzelfde begraafregister nog voor een tweede maal vermeld op 30-11-1670 (1227 p166 en p167): ‘Jannetie Jackobse inde uijterse dwarsstraat tussen den Emster ende uijtersestraat 4 kinderen’. En op diezelfde datum wordt in het register van de weeskamer (5004) vermeld: ‘Jannetje Jacobs uijterstsche dwarsstraat 30 nov. / den 25 februari 1671 heeft Claes Geurtz smal de weduwnaar verklaert geen middelen te hebben om sijn kinderen voor moeders erf te kunnen bewijsen ‘t welck Michael Spanseerder den oom getuigen de waerachtigh te sijn’.

[ii] Begraafregister Amsterdam 30-06-1686 (Leidsekerkhof, 1228 p240 en p241): ‘Claes Geurtsen Smaal schipperskneght opt uijtersse veer op den amstel tusschen de prinsegragt en de uijttersse dwarsstraedt laat na 5 kinderen’. Ook vermeld in begraafregister van de weeskamer (5004): ‘Claes Geurtse op den Amstel bij de uijtersendwarsstraat 30 juli’.